ECLI:NL:RBDHA:2020:13880
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van looninhouding op WW-uitkering over aangiftetijdvak van vier weken
Eiser ontving vanaf november 2018 een WW-uitkering. Deze werd in augustus 2019 beëindigd wegens te hoog verdiend loon in juni en juli. Na hernieuwde aanvraag werd de uitkering per september 2019 hervat. Het UWV bracht het loon dat eiser in september 2019 ontving, over een aangiftetijdvak van vier weken, in mindering op zijn WW-uitkering.
Eiser stelde dat hij van 1 tot 16 augustus werkte en vanaf 17 augustus werkloos was, en dat het loon daarom aan augustus toegerekend moest worden. De rechtbank oordeelde dat volgens artikel 4:1 van Pro het Algemeen Inkomensbesluit Socialezekerheidswetten het loon over het vierwekenaangiftetijdvak wordt toegerekend aan de maand waarin het tijdvak eindigt, in dit geval september.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser en overwoog dat de wettelijke systematiek is bedoeld om de uitvoering van de WW te vereenvoudigen. Hoewel dit in sommige gevallen tot een kennelijk onredelijk resultaat kan leiden, is dit niet voldoende om af te wijken. Ook de door eiser genoemde stress en slapeloosheid rechtvaardigen geen uitzondering. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de looninhouding op zijn WW-uitkering over september 2019 wordt ongegrond verklaard.