ECLI:NL:RBDHA:2020:12863
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning na sepot aangifte mensenhandel
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit, deed op 10 oktober 2019 aangifte van mensenhandel. Naar aanleiding daarvan vroeg hij een verblijfsvergunning aan op grond van artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Deze aanvraag werd op 31 oktober 2019 afgewezen omdat het Openbaar Ministerie (OM) besloot geen strafrechtelijk onderzoek te starten en de aanwezigheid van eiser niet noodzakelijk achtte voor opsporing en vervolging.
Eiser voerde aan dat hij voldoende informatie had verstrekt voor nader onderzoek en dat hij vanwege zijn Afrikaanse afkomst in Italië te maken had met discriminatie, mede door de coronapandemie. Tevens stelde hij dat hij gehoord had moeten worden tijdens de bezwaarprocedure. De rechtbank oordeelde dat de afwijzing terecht was omdat het OM geen onderzoek instelt en de aanvraag daarom niet aan de voorwaarden voldoet.
De rechtbank stelde dat de door eiser aangevoerde omstandigheden omtrent discriminatie en corona niet relevant zijn voor de verblijfsvergunningprocedure. Ook was geen schending van de hoorplicht vastgesteld, omdat het bezwaar geen aanleiding gaf tot een ander besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.