ECLI:NL:RBDHA:2020:12794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2020
Publicatiedatum
15 december 2020
Zaaknummer
AWB 19/9461
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55a Vw 2000Art. 8:75a AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boetebesluit au pair bureau

Verzoekster, een au pair bureau, kreeg op 13 november 2019 een boete van €16.200,- opgelegd wegens overtredingen van artikel 55a van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om het boetebesluit te schorsen totdat op bezwaar was beslist.

Tijdens de zitting op 25 augustus 2020, waarbij verzoekster en haar gemachtigde aanwezig waren, heeft verweerder, vertegenwoordigd door de gemachtigde van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, toegezegd dat het boetebesluit geschorst wordt totdat op bezwaar is beslist en dat tot die tijd niet tot inning wordt overgegaan.

De voorzieningenrechter oordeelde dat hierdoor het spoedeisende belang voor het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoekster. De uitspraak is gedaan op 1 september 2020 door voorzieningenrechter E.P.W. van de Ven.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het boetebesluit is afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/9461

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2020 in de zaak tussen

[verzoekster 1], h.o.d.n. [verzoekster 2],

verzoekster,
gemachtigde: mr. C.R. Jansen,
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,
gemachtigde: mr. B.M. Kristel, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2019 heeft verweerder verzoekster een boete opgelegd van € 16.200,00 voor overtredingen als bedoeld in artikel 55a van de Vw 2000.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt het besluit te schorsen totdat op bezwaar is beslist of een andere passende maatregel te nemen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2020. Mevrouw [verzoekster 1] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Verweerder heeft ter zitting toegezegd dat het besluit van 13 november 2019 wordt geschorst totdat op bezwaar is beslist en dat tot die tijd niet tot inning van de opgelegde boete wordt overgegaan. Gelet hierop ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisende belang om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om, onder analoge toepassing van artikel 8:75a van de Awb, verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
4. De voorzieningenrechter acht het in dit geval ook aangewezen dat verweerder het griffierecht van € 345,- vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek af;
- bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan op 1 september 2020, door mr. E.P.W. van de Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:
Als gevolg van de maatregelen rondom Covid-19 is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.