ECLI:NL:RBDHA:2020:1262
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering geldlening en recht van hypotheek in box 3 voor belastingjaar 2015
Eiser had een geldlening van €1.103.460 verstrekt aan een Limited in het Verenigd Koninkrijk, met een recht van eerste hypotheek op onroerende zaken als zekerheid. De Limited was in 2012 uitgeschreven uit het handelsregister. Voor het belastingjaar 2015 was de waardering van deze vordering in geschil.
De inspecteur had de vordering op 70% van de nominale waarde gesteld, rekening houdend met mogelijke waardevermindering bij executie. Eiser stelde dat de vordering nihil moest worden gewaardeerd omdat de Limited niet meer bestond en stelde dat de hypotheek was afgelost, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank oordeelde dat het recht van hypotheek op de onroerende zaken blijft bestaan ongeacht het bestaan van de Limited, dat de correctie van 30% op de nominale waarde voldoende was, en dat het conservatoir beslag uit 2016 geen invloed had op de waardepeildatum 1 januari 2015. Ook werd geen schending van de hoorplicht of het una via-beginsel vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de waardering van de geldlening en de aanslag IB/PVV 2015 is ongegrond verklaard.