ECLI:NL:RBDHA:2020:12517
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van ontbreken reële relatie gelijk aan huwelijk
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro. De aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en geen vrijstelling kon worden verleend. Tevens werd gesteld dat eiser en referente niet hadden aangetoond dat zij een reële en in voldoende mate met een huwelijk gelijk te stellen relatie onderhielden.
Eiser voerde aan dat verweerder ten onrechte het bewijs onvoldoende achtte en dat er sprake was van een vicieuze cirkel rond het verkrijgen van documenten zoals het paspoort en de ongehuwdverklaring. Ook stelde eiser dat de verklaringen van een huisarts en maatschappelijk werker de afhankelijkheid tussen partijen aantonen en dat hij en referente gehoord hadden moeten worden.
De rechtbank oordeelde dat eiser en referente onvoldoende bewijs hadden geleverd van hun relatie, waaronder het ontbreken van onderbouwing van inschrijving in de Basisregistratie Personen en het ontbreken van bewijs van pogingen tot het verkrijgen van documenten. De verklaringen van de huisarts en maatschappelijk werker werden niet als voldoende objectief of overtuigend beoordeeld. Er kon daarom niet worden aangenomen dat sprake was van een reële en met een huwelijk gelijk te stellen relatie.
De rechtbank stelde vast dat verweerder zich niet onrechtmatig had opgesteld en dat er geen schending van de hoorplicht had plaatsgevonden, aangezien redelijkerwijs geen aanleiding bestond tot een ander besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een reële en met een huwelijk gelijk te stellen relatie.