ECLI:NL:RBDHA:2020:12370
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van toepasselijkheid artikel 12 lid 2 Dublinverordening bij asielaanvragen met geldig visum
Eisers, beiden met de Russische nationaliteit, dienden asielaanvragen in Nederland in, die werden afgewezen omdat Finland verantwoordelijk werd geacht op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Eisers voerden aan dat naast een geldig visum ook daadwerkelijk toegang tot het grondgebied vereist is, en verzochten om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU.
De rechtbank stelde vast dat de voorwaarde 'daadwerkelijk toegang hebben verschaft' expliciet is opgenomen in artikel 12, vierde lid, en niet in het tweede lid. De rechtbank volgde de staatssecretaris in de uitleg dat het tweede lid geen aanvullende voorwaarde bevat en dat Finland op grond van de geldige visums verantwoordelijk is. Eisers stelden ook dat de staatssecretaris onzorgvuldig handelde door bepaalde informatie niet te verstrekken aan Finland, maar de rechtbank vond dat de Finse autoriteiten voldoende waren geïnformeerd.
Daarnaast voerden eisers aan dat bijzondere omstandigheden, waaronder risico's voor LHBTI-asielzoekers in Finland en indirect refoulement naar Rusland, toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eisers onvoldoende aannemelijk maakten dat Finland zijn verplichtingen niet nakomt. Ook de brandbrief over de coronapandemie gaf geen aanleiding tot opschorting van de overdracht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Het vonnis werd uitgesproken door rechter E.F. Bethlehem in aanwezigheid van griffier N.M.L. van der Kammen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Finland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen.