Uitspraak
Rechtbank DEN Haag
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder
[derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , vergunninghoudster.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn voor het aanleggen van een in- en uitrit op een locatie in Alphen aan den Rijn. Hij vreesde schade aan een waardevolle bomenrij en de dijk door de werkzaamheden en het vrachtverkeer.
De voorzieningenrechter overwoog dat het primaire besluit geen betrekking heeft op het aanbrengen van een dam met duiker waarvoor een aparte vergunning is verleend. Ook zijn de werkzaamheden die tot onomkeerbare schade zouden leiden, zoals het kappen van bomen, reeds uitgevoerd en vallen niet onder de bestreden vergunning. De aanleg van de in- en uitrit zelf is omkeerbaar doordat zand en klinkerverharding verwijderd kunnen worden.
Gelet hierop concludeerde de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.