ECLI:NL:RBDHA:2020:1228
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opheffing ongewenstverklaring en toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser, van Afghaanse afkomst en met de Belgische nationaliteit, is sinds 2016 ongewenst verklaard in Nederland op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vanwege betrokkenheid bij ernstige mensenrechtenschendingen. Het primaire besluit en het daaropvolgende bezwaar werden afgewezen. Na een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie is een aanvullend besluit genomen met een nadere motivering.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser nog steeds een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, ondanks het tijdsverloop van 27 jaar en het ontbreken van strafrechtelijke veroordeling. De persoonlijke gedragingen van eiser, waaronder foltering, buitengerechtelijke executies en moordaanslagen, zijn vastgesteld en staan in rechte vast.
Eiser heeft onvoldoende concrete positieve gedragsverandering getoond die het risico op verstoring van fundamentele waarden uitsluit. De rechtbank acht het evenredigheidsbeginsel toegepast door verweerder adequaat en ziet geen schending van artikel 8 EVRM Pro. Ook is geen hoorplicht geschonden. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en de ongewenstverklaring blijft in stand.