ECLI:NL:RBDHA:2020:11780
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens COVID-19 en volksgezondheidsrisico
Eiseres, met de Filipijnse nationaliteit, verzocht op 3 februari 2020 om een visum kort verblijf voor vakantie bij haar vriend in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag aanvankelijk af wegens onvoldoende bewijs van het doel van het verblijf, de relatie en het voornemen om Nederland tijdig te verlaten. Vervolgens werd het bezwaar van eiseres afgewezen op grond van tijdelijke COVID-19-maatregelen die niet-essentiële reizen naar de EU beperken ter bescherming van de volksgezondheid.
Eiseres voerde aan dat de afwijzing onterecht was omdat zij persoonlijk niet als bedreiging voor de volksgezondheid kon worden aangemerkt en dat verweerder het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel had geschonden door een nieuwe weigeringsgrond te hanteren zonder haar gelegenheid te geven daarop te reageren. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was om de aanvraag af te wijzen op basis van het algemene gevaar van COVID-19 als epidemische ziekte en dat het hanteren van een nieuwe weigeringsgrond binnen de grenzen van de heroverweging in bezwaar viel.
De rechtbank stelde vast dat de tijdelijke grenssluiting en beschermende maatregelen gerechtvaardigd waren en dat eiseres niet behoorde tot uitzonderingscategorieën die toegang kregen. Ook werd geoordeeld dat het niet wachten met de beslissing op bezwaar gerechtvaardigd was gezien de onduidelijkheid over de duur van de maatregelen. De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht was afgewezen en dat het beroep ongegrond moest worden verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de visumaanvraag wegens gevaar voor de volksgezondheid door COVID-19.