ECLI:NL:RBDHA:2020:11776
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens COVID-19 en volksgezondheidsrisico
Eiser, een Turkse nationaliteitdragende persoon, vroeg op 29 juli 2019 een visum kort verblijf aan voor familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag aanvankelijk af omdat het doel en de terugkeer onvoldoende waren aangetoond. Bij het bestreden besluit werd het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en de aanvraag opnieuw afgewezen, ditmaal op grond van tijdelijke COVID-19-maatregelen en het gevaar voor de volksgezondheid.
Eiser voerde aan dat de Europese Commissie-richtlijnen voor grensbeheer niet op hem van toepassing waren omdat hij zijn aanvraag ruim voor de pandemie had ingediend en dat hij niet inhoudelijk op zijn bezwaar was ingegaan. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht een nieuwe weigeringsgrond mocht hanteren en niet verplicht was alleen op de oorspronkelijke bezwaargronden te reageren.
De rechtbank stelde vast dat COVID-19 als epidemische ziekte een geldige grond vormt voor een categorische weigering van toegang tot Nederland, ook zonder individuele beoordeling van het gevaar. Eiser behoorde niet tot uitzonderingscategorieën die toegang kregen. Het feit dat het bezwaar werd ingediend vóór de pandemie deed hier niet aan af. Ook was het niet noodzakelijk eiser te horen, omdat dit geen ander besluit zou opleveren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Meijers op 18 november 2020.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het visum vanwege het gevaar voor de volksgezondheid door COVID-19.