ECLI:NL:RBDHA:2020:11774
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf vanwege COVID-19 maatregelen en volksgezondheidsrisico
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht op 14 oktober 2019 om een visum kort verblijf voor familiebezoek in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag aanvankelijk af wegens onvoldoende bewijs van het doel van het verblijf, onvoldoende relatieaantoning, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over het vertrek uit Nederland.
Bij het bestreden besluit van 20 maart 2020 werd het bezwaar van eiser afgewezen op grond van artikel 32, lid 1, onder a) vi van de Visumcode en artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode, vanwege de COVID-19-pandemie en de daarmee samenhangende tijdelijke beperkingen op niet-essentiële reizen naar de EU.
Eiser stelde dat verweerder het bezwaar op individuele merites had moeten beoordelen en niet louter op de geldende internationale reisbeperkingen. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder een ruime beoordelingsmarge heeft en terecht uitging van het potentiële gevaar voor de volksgezondheid door COVID-19. Verweerder was niet verplicht eiser te horen, omdat dit niet tot een ander besluit zou leiden.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzing rechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het visum kort verblijf vanwege COVID-19 maatregelen.