Uitspraak
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 16 september 2020 ingekomen verzoek van:
[Y] ,
[X] ,
Procedure
- het verweerschrift;
- de brief van de zijde van de vader, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 26 oktober 2020;
Rechtbank Den Haag
De vader verzocht de rechtbank om de onmiddellijke terugkeer van zijn minderjarige kind naar het Verenigd Koninkrijk, waar het kind zijn gewone verblijfplaats had vóór de overbrenging naar Nederland door de moeder zonder toestemming van de vader. De rechtbank oordeelde dat de overbrenging ongeoorloofd was, omdat het gezag gezamenlijk door de ouders werd uitgeoefend en de vader geen toestemming had gegeven.
De moeder voerde verweer met onder meer het argument dat er sprake zou zijn van eerwraak en huiselijk geweld, en dat de vader geen rechtmatig verblijf had in het Verenigd Koninkrijk. Deze stellingen werden door de rechtbank niet aannemelijk gemaakt, mede vanwege het ontbreken van objectief bewijs en het feit dat het politieonderzoek naar de vermeende agressie was gestaakt.
De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag was aangetoond en dat de onmiddellijke terugkeer van het kind naar het Verenigd Koninkrijk moest worden gelast. Tevens werd de moeder veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 2.507,--. De terugkeer moest uiterlijk op 4 december 2020 plaatsvinden, waarbij de moeder het kind moest terugbrengen of de benodigde reisdocumenten aan de vader moest afgeven.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar het Verenigd Koninkrijk en veroordeelt de moeder in de proceskosten.