ECLI:NL:RBDHA:2020:11518
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende feitelijke gezinsband pleegkind
Eiseres, van Iraanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis bij haar tante, die tevens haar pleegmoeder is. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat eiseres feitelijk tot het gezin van de tante behoorde, zoals vereist volgens de Vreemdelingencirculaire 2000.
De rechtbank overwoog dat hoewel de juridische voogdij was vastgesteld, eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de tante. Tegenstrijdigheden in verklaringen over de vermissing van de biologische moeder, financiële afhankelijkheid en religieuze bekering werden meegewogen. Ook ontbraken documenten die de feitelijke gezinsband konden onderbouwen.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris het besluit voldoende had gemotiveerd en dat het beroep ongegrond was. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter E.P.W. van de Ven op 12 november 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag is ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de feitelijke gezinsband.