ECLI:NL:RBDHA:2020:11365
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Iran
Eisers, beiden Iraanse nationaliteit, vroegen een visum kort verblijf aan om hun zoon met een asielvergunning in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvragen af vanwege onvoldoende bewijs van het verblijfsdoel en twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren naar Iran.
Eisers voerden aan dat zij een hotel hadden gereserveerd omdat zij niet bij hun zoon mochten logeren, en dat zij sterke sociale en economische bindingen met Iran hebben, waaronder contact met familie en een pensioen. De rechtbank oordeelde echter dat deze bindingen onvoldoende zijn om de terugkeer te waarborgen, mede omdat het pensioen niet overtuigend werd aangetoond op bankafschriften.
De rechtbank stelde vast dat de minister terecht heeft afgezien van het horen van eisers omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Ook werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen omdat gelijkenis met andere zaken niet voldoende was onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van het visum op grond van onvoldoende sociale en economische binding met Iran terecht is en verklaarde het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Iran.