Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2020 in de zaken tussen
[eiseres 2] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseressen II
het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, verweerder
[eiseres 1] B.V., te [vestigingsplaats]
[derde-partij], te [woonplaats]
Procesverloop
14 september 2020. Eiser I heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiseressen II hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. R.D. van Oevelen, kantoorgenoot van hun gemachtigde.
Overwegingen
(na bezwaar van eiser I) gewijzigd in een dwangsom van € 2.000,- per maand of gedeelte daarvan met een maximum van € 20.000,-. De rechtbank is van oordeel dat van de bij bestreden besluit I opgelegde last een minder sterke prikkel uitgaat dan van het primaire besluit. Bij laatstgenoemd besluit zou eiser I - indien hij geen gevolg geeft aan de last - een bedrag van € 20.000,- ineens verbeuren, terwijl dat bedrag bij bestreden besluit I pas verbeurd wordt na 10 maanden. Eiseressen II, die aandringen op handhaving, hebben daarom belang bij bestreden besluit I.