ECLI:NL:RBDHA:2020:11209
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening ondanks aangifte mensenhandel
Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen omdat Zwitserland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en stelde dat de aanvraag toch in Nederland behandeld moest worden vanwege zijn aangifte van mensenhandel en het rechtmatig verblijf dat hij hierdoor verkreeg.
De rechtbank overweegt dat de aangifte mensenhandel en het bezwaar tegen de afwijzing van een tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden niet leiden tot een wijziging van de verantwoordelijke lidstaat voor de asielaanvraag. De Officier van Justitie heeft de strafzaak beëindigd wegens onvoldoende aanknopingspunten, waardoor Nederland niet verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag.
De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie en het arrest Rantsev van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, maar concludeert dat deze geen aanleiding geven tot een andere beoordeling. Ook de psychische klachten van eiser zijn onvoldoende onderbouwd met medische documenten. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg en griffier T.R. Oosterhoff - Vos op 18 augustus 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot behandeling van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.