ECLI:NL:RBDHA:2020:11063
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen niet tijdig beslissen verblijfsvergunning asiel
Op 21 januari 2020 stelde de geopposeerde beroep in tegen het niet tijdig beslissen door de staatssecretaris op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel van 27 december 2018. De rechtbank verklaarde het beroep op 16 maart 2020 gegrond en legde een termijn en dwangsom op.
De staatssecretaris stelde verzet in tegen deze uitspraak, stellende dat de Covid-19 maatregelen de besluitvorming ernstig beperkten en dat de rechtbank ten onrechte zonder nader onderzoek uitspraak deed. De rechtbank oordeelde dat zij bekend had kunnen zijn met deze omstandigheden en dat de eerdere uitspraak zonder voldoende onderzoek was gedaan.
De rechtbank verklaarde het verzet gegrond, heropende de zaak en behandelde het beroep opnieuw. De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn was verstreken en dat de staatssecretaris in gebreke was gebleven. Er werd een termijn van twee weken gesteld waarbinnen een besluit moet worden genomen, met een dwangsom van €100 per dag tot maximaal €7.500.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €525. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Biever en griffier J.C. de Grauw op 27 oktober 2020.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt opgedragen binnen twee weken te beslissen met oplegging van een dwangsom.