ECLI:NL:RBDHA:2020:10801
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in omgangsregeling zaak
Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij een zaak over de omgangsregeling met hun dochter. Zij stelden dat de rechter vooringenomen was door een onjuiste tussenbeslissing te nemen, onvoldoende rekening te houden met hun standpunten en kritiekloos het standpunt van Jeugdbescherming west te volgen.
De rechter had de omgangsregeling voorlopig opgeschort en de behandeling aangehouden tot een zitting van de meervoudige kamer. Verzoekers waren niet aanwezig bij een mondelinge uitspraak vanwege korte termijn en vermeende vooringenomenheid van de rechter. De wrakingskamer oordeelde dat wraking alleen mogelijk is bij objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid, wat hier niet het geval was.
De wrakingskamer benadrukte dat een rechterlijke tussenbeslissing niet als wrakingsgrond kan dienen en dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen een wraking als verkapt rechtsmiddel uitsluit. De motivering van de beslissing was niet onbegrijpelijk en er was geen aanwijzing voor vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen en de procedure werd voortgezet in de bestaande stand.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid en de voortzetting van de procedure.