Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het tussenvonnis van 6 mei 2020;
- de akte uitlaten aan de zijde van [eiseres] ;
- de akte uitlaten aan de zijde van de Staat.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde een civiele zaak waarin eiseres de Staat aansprakelijk stelde wegens trage besluitvorming op haar verzoek tot hertoetsing. De rechtbank stelde vast dat de Staat onrechtmatig handelde door niet tijdig te beslissen, waardoor eiseres schade leed in de vorm van gemiste inkomsten.
Eiseres stelde dat bij een tijdige beslissing haar onderneming niet noodgedwongen had hoeven te sluiten en dat de kans op schade groter was dan 50%. De Staat betwistte dit en voerde aan dat de kans zeer klein was en dat onvoldoende duidelijkheid bestond over de financiële situatie en de reden van beëindiging.
De rechtbank concludeerde dat eiseres onvoldoende concrete feiten en onderbouwing had geleverd om aannemelijk te maken dat de beëindiging van haar onderneming het gevolg was van de trage besluitvorming. De kans dat zij de onderneming had kunnen voortzetten was nihil, mede gezien de belastingschuld en het ontbreken van overleg met schuldeisers.
Daarom werd de schade door beëindiging van de onderneming niet vergoed, terwijl de Staat wel aansprakelijk werd gehouden voor de gemiste inkomsten in de periode tussen de uiterlijke beslisdatum en de daadwerkelijke positieve hertoetsing. De omvang van deze schade moet nog worden vastgesteld. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Staat is onrechtmatig gehandeld door te laat te beslissen, maar schadevergoeding voor beëindiging onderneming wordt afgewezen.