ECLI:NL:RBDHA:2020:10681
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, van Somalische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Verweerder besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Oostenrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had Oostenrijk verzocht de zaak over te nemen, wat Oostenrijk had aanvaard.
Eiser vreesde dat Oostenrijk hem zou terugsturen naar Somalië, waar hij gevaar loopt vanwege familieconflicten. Hij bracht ook persoonlijke omstandigheden aan, zoals gescheiden zijn van zijn gezin en de ziekte van zijn vader. De rechtbank stelde vast dat eiser geen beroep meer deed op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, maar alleen op de vrees voor refoulement vanuit Oostenrijk naar Somalië.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen niet zou nakomen. Oostenrijk had met het claimakkoord gegarandeerd het asielverzoek te behandelen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.