ECLI:NL:RBDHA:2020:10542
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, van Pakistaanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit besluit is gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening, waarbij Duitsland als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen.
Eiser betoogt dat Nederland het verzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening had moeten overnemen omdat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, met name op het gebied van opvang en medische zorg. De rechtbank oordeelt echter dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast. De gestelde schendingen van richtlijnen en verdragsbepalingen dienen in Duitsland te worden aangevochten.
De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens zijn asielprocedure in Duitsland opvang en medische zorg heeft ontvangen en dat er geen aanwijzingen zijn dat Duitsland niet aan zijn verplichtingen voldoet. Het beroep op jurisprudentie van het EHRM wordt verworpen omdat de omstandigheden niet vergelijkbaar zijn. De rechtbank concludeert dat de Staatssecretaris terecht heeft besloten het verzoek niet in behandeling te nemen en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.