ECLI:NL:RBDHA:2020:10457
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing beroep op vermindering BPM wegens overschrijding redelijke termijn afgewezen
Opposante heeft bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en beroep ingesteld tegen de afwijzing daarvan. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting kennelijk ongegrond verklaard, omdat opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de BPM verminderd moet worden.
Tegen deze uitspraak is verzet ingesteld. De rechtbank heeft in de verzetprocedure overwogen dat de discretionaire bevoegdheid om een beroep zonder zitting af te doen niet in strijd is met het recht van de Europese Unie of het EVRM. De verzetrechter concludeert dat opposante geen recht heeft op een inhoudelijke behandeling zolang het beroep kennelijk ongegrond is.
De rechtbank wijst het verzet af en bevestigt de eerdere uitspraak. Wel is een immateriële schadevergoeding van €1.500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn met 15 maanden, alsmede een proceskostenvergoeding en griffierecht. Er is geen aanleiding voor een hogere schadevergoeding of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere buiten-zittinguitspraak wordt bevestigd.