ECLI:NL:RBDHA:2020:10373
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor doodslag met mes ondanks beroep op noodweer en noodweerexces
Op 22 februari 2020 ontstond een ruzie tussen verdachte en het slachtoffer, waarbij beiden messen hadden. Verdachte stak het slachtoffer met een mes in het voorhoofd, wat zes dagen later tot diens overlijden leidde. Verdachte stelde geen opzet te hebben gehad en voerde noodweer en noodweerexces aan.
De rechtbank oordeelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood, omdat hij bewust het mes had gepakt en de aanmerkelijke kans op de dood aanvaardde. Het beroep op noodweer faalde vanwege het niet voldoen aan de subsidiariteitsvereiste: verdachte had zich kunnen onttrekken aan de situatie. Het beroep op noodweerexces werd eveneens verworpen wegens het ontbreken van een hevige gemoedsbeweging.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes jaar op, lager dan de eis van negen jaar, mede omdat ook het slachtoffer messen bij zich had. De vordering tot affectieschade van de zus van het slachtoffer werd afgewezen vanwege wettelijke uitsluiting, maar materiële schade van €6.699,08 werd toegewezen. Verdachte werd veroordeeld tot betaling van deze schade aan de Staat met wettelijke rente en gijzeling bij niet-betaling.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor doodslag met een mes en tot betaling van materiële schade aan de Staat.