Uitspraak
REchtbank DEN Haag
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder
[derde partij] B.V., te Naaldwijk,
Rechtbank Den Haag
Verzoeker woont sinds 1971 op een perceel met woning die tot 1996 onderdeel was van een glastuinbouwbedrijf. Na verkoop van het bedrijf bleef verzoeker in de woning wonen, ondanks een recht van eerste koop voor de koper dat niet is uitgevoerd. Het college van burgemeester en wethouders van Westland legde een last onder dwangsom op wegens strijdig gebruik van de woning en gronden met het bestemmingsplan, omdat de woning niet als agrarische dienstwoning wordt gebruikt.
Verzoeker betoogt dat handhavend optreden niet bevoegd is of dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn hoge leeftijd en ziekte van Alzheimer, handhaving onwenselijk maken. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college bevoegd is tot handhaving, maar dat de procedurele en materiële vragen nader onderzoek vergen dat niet in deze voorlopige voorziening kan worden beantwoord.
De voorzieningenrechter weegt het zwaarwegende belang van verzoeker om in zijn woning te kunnen blijven wonen, mede vanwege zijn gezondheid en leeftijd, zwaarder dan het belang van het college en derde partij bij onmiddellijke handhaving. Daarom wordt het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen en worden het primaire en bestreden besluit geschorst tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure. Partijen worden aangespoord om in die periode te zoeken naar een oplossing, waaronder mogelijke legalisering en financiële regeling.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen en het handhavingsbesluit geschorst tot zes weken na de bodemuitspraak.