Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
mr. N.J. Ros en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. D.M. Penn, advocaat te Limburg, en door de verdachte naar voren is gebracht.
Rechtbank Den Haag
Op 28 maart 2020 vond een mishandeling plaats in een woning te Rijnsburg waarbij een slachtoffer met rubberen hamers werd geslagen door een groep van meerdere personen. De verdachte werd ervan verdacht medepleger te zijn van deze poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade.
Tijdens het onderzoek en de zittingen op 8 juli (pro forma) en 24 en 25 september 2020 werd vastgesteld dat de verdachte niet direct kon worden herkend als een van de daders en dat er geen forensisch bewijs zoals DNA-sporen of zendmastgegevens was die zijn aanwezigheid op de plaats delict bevestigden. Ook waren er onduidelijkheden over de grootte van de groep daders, de gebruikte voertuigen en de kleding van de verdachten.
De verklaringen van getuigen en medeverdachten verschilden onderling en boden geen eenduidig scenario. Hoewel er ernstige vermoedens waren dat meerdere verdachten betrokken waren, kon niet worden vastgesteld dat de verdachte onderdeel uitmaakte van de groep die het geweld pleegde.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om de verdachte te veroordelen en sprak hem vrij. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat hij deel uitmaakte van de groep daders.