De rechtbank Den Haag behandelde op 1 augustus 2019 een zaak tegen een verdachte geboren in 2001, beschuldigd van poging tot afpersing, poging tot diefstal met geweld, bedreiging en diefstal met braak van een scooter, dan wel opzetheling van die scooter.
Na beoordeling van het bewijs, waaronder camerabeelden, getuigenverklaringen en het alibi van de verdachte, oordeelde de rechtbank dat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij de poging tot afpersing en diefstal met braak. De verdachte werd daarom vrijgesproken van deze feiten.
Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte zich in de periode van 2 tot en met 4 april 2019 schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een gestolen scooter waarvan hij wist dat deze door misdrijf was verkregen. De rechtbank legde een werkstraf van 40 uur op, met aftrek van voorarrest, en bepaalde dat bij niet-naleving vervangende jeugddetentie zal volgen.
De rechtbank volgde het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming niet volledig, omdat een jeugddetentie disproportioneel werd geacht gezien de bewezenverklaring. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijsbeoordeling en het onderscheid tussen verschillende strafbare feiten in het jeugdstrafrecht.