ECLI:NL:RBDHA:2019:8981
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen buiten behandeling stellen asielaanvraag wegens ontbreken essentiële informatie
Eiser, met de Libische nationaliteit, diende op 27 februari 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder stelde deze aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser informatie die van wezenlijk belang was voor de beoordeling van zijn aanvraag niet had overgelegd. Tijdens het gehoor gaf eiser aan geen asiel te willen aanvragen en niet gehoord te willen worden zolang hij in bewaring verbleef.
Eiser voerde aan dat hij was overvallen door het gehoor en niet voorbereid was door een advocaat, en dat het besluit in strijd was met artikel 6 en Pro 47 EVRM en diverse EU-richtlijnen. Ook stelde hij dat het risico op refoulement niet was beoordeeld. Verweerder voerde gemotiveerd verweer.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld omdat eiser tijdens het gehoor expliciet weigerde zijn asielmotieven toe te lichten, ondanks de mogelijkheid om een advocaat te spreken. Er was geen strijd met het EVRM of de Procedurerichtlijn omdat eiser in eerdere procedures de kans had gehad zijn motieven toe te lichten en geen rechtsmiddelen had aangewend tegen eerdere besluiten.
Het beroep is ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.