ECLI:NL:RBDHA:2019:894
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vrees voor vervolging in Georgië en [land]
Eiser, houder van de Georgische en [land] nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde problemen te hebben ondervonden met de Russische FSB en vreesde vervolging vanwege zijn religie en etnische afkomst in Georgië en [land].
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de problemen in Rusland niet relevant waren en de gestelde vrees in Georgië en [land] niet aannemelijk was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat verweerder het relaas niet ten onrechte ongeloofwaardig had geacht. De omstandigheden dat eiser jaarlijks naar [land] kon terugkeren en na vrijlating nog anderhalve maand zonder problemen daar verbleef, deden afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn vrees.
Eiser kon geen concrete informatie over zijn problemen wegens religie en afkomst overleggen. De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor toelating op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gevreesde vervolging.