ECLI:NL:RBDHA:2019:8735
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid asielaanvragen wegens sterkere band met Griekenland en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eisers, met de Eritrese nationaliteit, dienden op 27 juni 2019 asielaanvragen in Nederland in. Verweerder verklaarde deze niet-ontvankelijk omdat uit Eurodac bleek dat Griekenland hen op 6 november 2018 internationale bescherming had verleend, waardoor zij een sterkere band met Griekenland hebben dan met Nederland. Eisers voerden aan dat de situatie in Griekenland verslechterd is en zij persoonlijke problemen en bedreigingen ondervinden, onder meer vanwege werkzaamheden als tolk.
De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat Griekenland zich houdt aan zijn verdragsverplichtingen. De door eisers aangevoerde verslechtering en persoonlijke omstandigheden werden niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank verwees naar vaste rechtspraak en recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd vastgesteld dat de situatie van statushouders in Griekenland niet wezenlijk is verslechterd.
Verder stelde de rechtbank vast dat eisers geen bijzondere kwetsbare statushouders zijn en dat zij onvoldoende bewijs leverden van de gestelde bedreigingen en het gebrek aan bescherming in Griekenland. Eisers deden geen aangifte en vroegen geen hulp bij Griekse autoriteiten. De rechtbank concludeerde dat de aanvragen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en verklaarde de beroepen ongegrond.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de asielberoepen ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de aanvragen.