ECLI:NL:RBDHA:2019:8733
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen terugnamebesluit asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend, waarna de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een terugnameverzoek aan Duitsland heeft gedaan, omdat eiser eerder daar een asielverzoek indiende. Duitsland stemde in met het terugnameverzoek, waarna de staatssecretaris het verzoek tot behandeling van de aanvraag in Nederland afwees op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser betwist dat in Duitsland een deugdelijk leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden en stelt minderjarig te zijn, terwijl Duitsland hem als meerderjarig registreerde. De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juiste registratie in een andere lidstaat, en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat deze onjuist is. Eiser heeft geen authentieke documenten overgelegd en zijn betwisting van het leeftijdsonderzoek onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht is uitgegaan van de Duitse gegevens en niet verplicht was een nieuw leeftijdsonderzoek aan te bieden. Ook het betoog over onzorgvuldigheid in de besluitvorming faalt, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad.
Verder geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij wordt aangenomen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugnamebesluit wordt ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij minderjarig is en Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure.