ECLI:NL:RBDHA:2019:8649
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres, een Afghaanse vrouw geboren in 1955, vroeg op 23 februari 2018 een visum kort verblijf aan om haar broer in Nederland te bezoeken. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af omdat eiseres onvoldoende middelen van bestaan had aangetoond en er redelijke twijfel bestond over haar voornemen tijdig terug te keren naar Afghanistan.
Eiseres voerde onder meer aan dat zij bij haar broer zou verblijven en dat haar familie garant kon staan, en dat zij voldoende binding met Afghanistan heeft. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs leverde van haar sociale en economische binding met Afghanistan. Zij had geen aantoonbare zorgverplichtingen en beschikte niet over zelfstandig inkomen. Ook was het overgelegde stortingsbewijs te laat ingediend en onvoldoende om een regelmatig inkomen aan te tonen.
Verder was het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond, zodat het horen in bezwaar niet verplicht was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het visumverzoek definitief af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.