ECLI:NL:RBDHA:2019:8647
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroep verblijfsvergunning
Eiseres had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, namens haar ingediend door haar moeder, die bij besluit van 13 december 2017 werd afgewezen. Het bezwaar werd bij besluit van 13 juli 2018 kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres stelde beroep in, dat op 31 oktober 2018 niet-ontvankelijk werd verklaard. Na verzet werd deze uitspraak op 18 januari 2019 vernietigd.
Vervolgens werd op 9 april 2019 een tweede aanvraag ingewilligd nadat eiseres in februari 2019 een Russisch paspoort had verkregen. Eiseres trok daarop het beroep in en verzocht om een proceskostenveroordeling van verweerder. Verweerder verzette zich hiertegen.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat het oorspronkelijke besluit niet was herroepen en het nieuwe besluit was genomen op basis van nieuwe feiten (het paspoort). Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door het bestuursorgaan.