ECLI:NL:RBDHA:2019:8621
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvragen en beëindiging opvang
Verzoekers dienden op 27 juni 2019 asielaanvragen in Nederland in, die door de staatssecretaris op 15 juli 2019 niet-ontvankelijk werden verklaard omdat Griekenland reeds internationale bescherming had verleend. Hiertegen stelden verzoekers beroep in en vroegen zij om een voorlopige voorziening om hun opvang en verstrekkingen te behouden en uitzetting te voorkomen.
De staatssecretaris stelde dat verzoekers geen recht meer hadden op opvang omdat zij verblijfsrecht in Griekenland hadden en dat de niet-ontvankelijkverklaring definitief was. Verzoekers verwezen naar eerdere jurisprudentie en stelden dat zij nog als asielzoekers in Nederland moesten worden beschouwd zolang de Nederlandse rechter niet definitief had beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat voor de status als asielzoeker alleen de in Nederland ingediende aanvraag relevant is en dat verzoekers zolang op hun beroep wordt gewacht recht hebben op opvang en niet mogen worden uitgezet. De niet-ontvankelijkverklaring en beëindiging van opvang worden daarom geschorst tot beslissing op het beroep.
Verder veroordeelde de voorzieningenrechter de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van verzoekers. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring en beëindiging van opvang worden geschorst en verzoekers mogen niet worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.