Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] , geboren op [geboortedag] 1993, eiser 1 en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting zijn daarnaast verschenen C. Sillevis, orthopedagoog-generalist, en L. Jansen, jeugdbeschermer, beiden werkzaam bij Stichting Nidos.
Overwegingen
Eiser 1 ( [eiser 1] ) is meerderjarig en zijn broer, eiser 2 ( [eiser 2] ), is minderjarig. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat bij een aanslag in 2007 hun ouderlijk huis is verwoest. Ook zijn bij deze aanslag veel slachtoffers gevallen. Na deze aanslag heeft de familie van eisers geprobeerd het leven weer op te pakken en heeft de familie het ouderlijk huis herbouwd. In 2014 zijn eisers met hun familie op de vlucht geslagen voor IS na een aanval op hun dorp. Eisers hebben toen met hun familie elf dagen onder erbarmelijke omstandigheden in de bergen verbleven, onder meer zonder eten en drinken. Vervolgens zijn eisers in een vluchtelingenkamp beland waar de omstandigheden eveneens zeer slecht waren. In dit kamp hebben eisers vier jaar verbleven, waarna zij onder meer via Turkije en Griekenland naar Roemenië zijn gereisd. Eenmaal in Roemenië aangekomen zijn eisers door de Roemeense autoriteiten gevangen genomen. In totaal hebben eisers drie dagen in detentie verbleven gedurende welke periode zij geen eten of drinken hebben gekregen, zij geen gebruik mochten maken van het toilet, en zij zijn mishandeld. Na drie dagen zijn eisers in vrijheid gesteld, waarna zij zijn doorgereisd naar Nederland.
niet-begeleide minderjarige vreemdeling of er gezinsleden, broers of zussen of familieleden op het grondgebied van de lidstaten aanwezig zijn. In dit gehoor wijst de IND de minderjarige vreemdeling op de mogelijkheid om herenigd te worden met zijn gezins- of familielid dat zich wettig ophoudt in een andere lidstaat. Onder ‘wettig ophouden’ in een andere lidstaat in de zin van artikel 8 van Pro de Dublinverordening verstaat de IND: rechtmatig verblijf op grond van een ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning of op grond van een verleende verblijfsvergunning in een andere lidstaat. Aan de hand van de door de minderjarige vreemdeling verstrekte informatie neemt de IND contact op met de bevoegde instantie in de andere lidstaat met als doel de minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familielid te herenigen.
Volgens deze paragraaf zal verder het daadwerkelijk samenbrengen van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familieleden alleen plaatsvinden indien dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is. Uitgangspunt hierbij is dat het in het belang van de minderjarige vreemdeling is om herenigd te worden met zijn gezins- of familieleden. Bij de vaststelling wat in het belang van de minderjarige vreemdeling is, houdt de IND rekening met de in artikel 6, derde lid, van de Dublinverordening genoemde factoren. Indien het samenbrengen van de gezins- of familieleden in de andere lidstaat niet in het belang van de minderjarige vreemdeling is, zal de IND het verzoek om internationale bescherming behandelen.
H. en R. tegen Nederland van 2 april 2019 (ECLI:EU:C:2019:280) volgt dat er in een terugnamesituatie geen beroep op artikel 9 van Pro de Dublinverordening kan worden gedaan, tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. In dat geval kan er wel een beroep op artikel 9 van Pro de Dublinverordening worden gedaan, als de vreemdeling aan Nederland informatie heeft verstrekt waaruit duidelijk blijkt dat Nederland op grond van dat artikel verantwoordelijk is voor het asielverzoek. Hoewel het in het arrest H. en R. ging om het criterium van artikel 9 van Pro de Dublinverordening, dient naar het oordeel van de rechtbank uit dit arrest eveneens te worden opgemaakt dat indien onderdanen van een derde land, zoals eisers, die in een eerste lidstaat, in dit geval Roemenië, verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend, deze lidstaat daarna hebben verlaten en vervolgens in een tweede lidstaat, in dit geval Nederland, nieuwe verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend, zich in beginsel niet kunnen beroepen op het in artikel 8 van Pro de Dublinverordening neergelegde verantwoordelijkheidscriterium. Dit is alleen anders indien eisers aan Nederland informatie hebben verstrekt waaruit duidelijk blijkt dat Nederland op grond van dat artikel verantwoordelijk is voor het asielverzoek. In dat kader is het volgende van belang.
niet-begeleide minderjarige die geen gezinslid heeft dat zich wettig op het grondgebied van een lidstaat ophoudt, in verschillende lidstaten een asielverzoek heeft ingediend, de „verantwoordelijke lidstaat” volgens deze bepaling de lidstaat is waar deze minderjarige zich bevindt nadat hij er een asielverzoek heeft ingediend.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,00.
uitspraak mede te ondertekenen