ECLI:NL:RBDHA:2019:8299
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens overschrijding ophoudingstermijn en belangenafweging
Eiser werd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld. De rechtbank stelde vast dat de ophoudingstermijn van maximaal zes uur was overschreden met ruim twee uur, namelijk van 11:15 tot 19:24 uur. Deze overschrijding was aanzienlijk en het gehoor begon pas negen minuten voor het einde van de termijn, wat niet werd toegelicht.
Verweerder betwistte niet dat eiser drie keer per week omgang had met zijn Nederlandse zoon van 1,5 jaar, wat zwaarwegende persoonlijke belangen betreft. De rechtbank vond dat de belangen die met de bewaring gediend werden, zoals het niet overleggen van een verlopen Marokkaans paspoort en het vermeende onttrekkingsgevaar, niet in redelijke verhouding stonden tot de ernst van de overschrijding en de daardoor geschonden belangen.
De rechtbank verwierp het beroep van verweerder op een eerdere zaak met een kleinere overschrijding en minder zwaarwegende belangen. Gezien deze omstandigheden verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring per 19 juni 2019 en kende eiser een schadevergoeding toe voor 11 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werden de proceskosten aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig verklaard en opgeheven, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.