ECLI:NL:RBDHA:2019:8294
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding rechtsbijstand bij niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens veilig derde land
Eiser heeft namens zijn cliënt een verzoek om toevoeging ingediend en deze cliënt bijgestaan in een asielprocedure die niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de cliënt zich volgens de IND in een veilig derde land kan vestigen. Verweerder stelde de vergoeding voor rechtsbijstand vast op vier punten conform artikel 5a, vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr).
Eiser maakte bezwaar tegen de hoogte van de vergoeding en stelde dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheids-, motiverings- en evenredigheidsbeginsel, omdat de IND pas laat in de procedure tot het oordeel kwam dat sprake was van een veilig derde land. De rechtbank oordeelde dat de vergoeding terecht was vastgesteld op vier punten, omdat de asielaanvraag inderdaad niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet.
De rechtbank benadrukte dat de IND bevoegd is om in een later stadium tot nieuwe inzichten te komen en dat het besluitvormingsproces dit rechtvaardigt. Het enkele feit dat eiser vier dagen aan werkzaamheden verrichtte betekent niet automatisch dat er geen sprake was van een vereenvoudigde rechtsvraag. De stelling dat het forfaitaire stelsel in dit geval kennelijk onredelijke gevolgen heeft, werd onvoldoende onderbouwd.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van een vergoeding van vier punten voor rechtsbijstand wordt ongegrond verklaard.