Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[gedaagde 1] te Den Haag,
[gedaagde 2] HOLDING B.V.te Den Haag,
JUST CARE HUISARTSENPRAKTIJK B.V. (in liquidatie)te Den Haag,
Rechtbank Den Haag
Eiser vorderde in kort geding dat gedaagden sub 1 en 2 hem bepaalde stukken zouden verstrekken, met verbeurte van een dwangsom. Gedaagden sub 1 en 2 verschenen niet, waarna verstek werd verleend. Gedaagde sub 3 was ontbonden en niet meer bestaand, waardoor eiser niet-ontvankelijk werd verklaard jegens deze partij.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser geen rechtmatig belang had bij de gevorderde stukken, omdat hij slechts speculeerde over mogelijke baten van de ontbonden vennootschap en onvoldoende concrete feiten stelde. Bovendien was er al een bodemvonnis waarin de geldvordering van eiser was afgewezen wegens gebrek aan concrete onderbouwing.
Ook ontbrak een spoedeisend belang, nu eiser hoger beroep had ingesteld tegen het bodemvonnis en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de uitkomst daarvan niet kon afwachten. De vorderingen jegens gedaagden sub 1 en 2 werden daarom afgewezen en eiser werd niet-ontvankelijk verklaard jegens gedaagde sub 3.
Uitkomst: Vorderingen jegens gedaagden sub 1 en 2 worden afgewezen en eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard jegens gedaagde sub 3.