De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds zijn tweede levensjaar bij pleegouders woont. De ondertoezichtstelling en machtiging waren reeds verlengd tot 5 juli 2019. De moeder en pleegouders hadden verschillende verwachtingen over het perspectief van de minderjarige, waarbij de moeder terugplaatsing wenste en de pleegouders stabiliteit binnen hun gezin.
De rechtbank nam kennis van het advies van de gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming, die beide het belang van een stabiele en veilige omgeving voor de minderjarige benadrukten. Gezien de langdurige verblijfplaats en gehechtheid aan de pleegouders, en de problematiek van de moeder, besloot de rechtbank dat het perspectief bij de pleegouders ligt. Een nieuw NIFP-onderzoek werd niet gelast om verdere onrust te voorkomen.
De rechtbank wees het verzoek van de pleegouders tot geschillenregeling af, omdat het geschil vooral voortkwam uit de onzekerheid over terugplaatsing. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd tot 5 juli 2020, de duur van de ondertoezichtstelling. De rechtbank benadrukte het belang van het contact tussen de minderjarige en zijn moeder en verwachtte dat de gecertificeerde instelling dit contact zal faciliteren binnen het vastgestelde perspectief.