ECLI:NL:RBDHA:2019:7826
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding
Eiseres, een Turkse nationaliteit houdende vrouw, diende op 10 oktober 2018 een aanvraag in voor een visum kort verblijf om haar ex-echtgenoot in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag af op grond van de Visumcode, omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Turkije had, waardoor terugkeer niet gewaarborgd was.
Eiseres voerde in beroep aan dat zij en haar ex-echtgenoot het voornemen hadden te hertrouwen en dat zij na het bezoek terug zou keren om de huwelijksformaliteiten in Turkije te regelen. Zij stelde tevens dat zij een zoon in Turkije heeft en dicht bij hem woont, wat haar sociale binding zou versterken. De rechtbank overwoog dat verweerder een ruime beoordelingsmarge heeft bij het toetsen van het terugkeervoornemen en dat het oordeel slechts terughoudend kan worden getoetst.
De rechtbank concludeerde dat eiseres slechts een geringe sociale band met Turkije heeft, onder meer omdat zij geen eigen gezin heeft en haar meerderjarige zoon niet bij haar woont. Ook was niet gebleken van sterke familiebanden of maatschappelijke verplichtingen die haar terugkeer zouden afdwingen. Economisch had zij geen zelfstandig substantieel inkomen, aangezien haar ex-echtgenoot haar onderhoudt vanuit Nederland. Het eerdere tijdig terugkeren na een visum bood geen garantie voor de huidige aanvraag.
Gelet hierop was het oordeel van verweerder dat de aanvraag terecht werd afgewezen, rechtmatig. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het visum wegens onvoldoende sociale en economische binding.