ECLI:NL:RBDHA:2019:7650
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit wegens niet-natuurlijke verblijfsplaats
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vaststelling dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit, naar aanleiding van de naturalisatie van zijn ouders in 1989. Hij stelt dat bij de naturalisatie geen voorbehoud is gemaakt ten aanzien van minderjarige kinderen die buiten het Koninkrijk verbleven, waardoor hij sindsdien Nederlander zou zijn.
De IND betwist dit en wijst op het Koninklijk Besluit waarbij is bepaald dat het Nederlanderschap wordt onthouden aan buiten het Koninkrijk verblijvende kinderen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verzoeker sinds 1987 woonplaats in Marokko had en niet in Nederland verbleef op het moment van naturalisatie van zijn ouders. Tevens is niet gebleken dat verzoeker na het bereiken van meerderjarigheid aan de voorwaarden voor behoud van het Nederlanderschap heeft voldaan.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet in Nederland verbleef op het moment van naturalisatie en dat hij daardoor niet is mee-genaturaliseerd. Ook is niet aangetoond dat hij de Nederlandse nationaliteit op een andere wijze heeft verkregen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De rechtbank wijst tevens het verzoek tot veroordeling van de IND in proceskosten af.
Uitkomst: Verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit wordt afgewezen omdat verzoeker niet in Nederland verbleef bij naturalisatie van zijn ouders.