ECLI:NL:RBDHA:2019:7450
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Motiveringsgebrek bij niet-gelijktijdige behandeling van Dublinprocedure gezinsleden
Eiser diende een asielaanvraag in Nederland in, terwijl zijn vrouw en minderjarige kind later ook Nederland binnenkwamen en eveneens asiel aanvroegen. Verweerder stelde dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen en nam de aanvraag van eiser niet in behandeling. Eiser stelde dat de aanvragen gelijktijdig behandeld moeten worden om scheiding van het gezin te voorkomen, op grond van artikel 11 van Pro de Dublinverordening en artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanvragen niet gezamenlijk worden behandeld, terwijl artikel 11 van Pro de Dublinverordening juist vereist dat verzoeken van gezinsleden die gelijktijdig of met korte tussenpozen zijn ingediend gezamenlijk worden behandeld. Verweerder stelde dat de aanvragen niet gelijktijdig zijn ingediend en dat de gezinsleden separaat Nederland binnenkwamen, maar dit is volgens de rechtbank geen reden om de aanvragen apart te behandelen.
Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek en het beroep van eiser is gegrond verklaard. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.