ECLI:NL:RBDHA:2019:7400
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis asiel wegens onvoldoende bewijs pleegouderschap
Eiseres, een minderjarige met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel bij haar vermeende pleegmoeder en zus, de referente. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen wegens bewijsnood omtrent het pleegouderschap en de gezinsband.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde voogdijakte en andere documenten onvoldoende waren om het pleegouderschap aannemelijk te maken, mede omdat de voogdijakte pas na de inreis van de referente in Nederland was afgegeven en niet op authenticiteit kon worden onderzocht. Daarnaast bleek uit verklaringen dat eiseres tot het moment van vertrek van referente bij haar biologische ouders woonde en niet tot een aparte gezinseenheid met de referente behoorde.
Eiseres voerde aan dat de hoorplicht was geschonden en dat het belang van de minderjarige doorslaggevend moest zijn, verwijzend naar het EHRM-arrest El Ghatet. De rechtbank verwierp deze stellingen en oordeelde dat het belang van eiseres niet zonder meer leidend was en dat het horen in bezwaar niet verplicht was gezien het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Uiteindelijk handhaafde de rechtbank het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag werd ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van pleegouderschap en gezinsband.