ECLI:NL:RBDHA:2019:6912
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen buitenzittingsuitspraak inzake Dublinprocedure Italië ongegrond verklaard
Opposant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, dat door de rechtbank op 27 maart 2019 buiten zitting ongegrond werd verklaard. Tegen deze uitspraak stelde opposant verzet in, stellende dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn bewijsstukken over tekortkomingen in de Italiaanse asielprocedure en opvang.
Tijdens de zitting op 11 juni 2019 heeft de rechtbank overwogen dat het verzet slechts kan leiden tot behandeling van het beroep ter zitting indien het verzet gegrond wordt bevonden. Opposant bracht onder meer getuigenverklaringen en aangiften bij de Italiaanse politie in, waaronder meldingen van dreigtelefoontjes en mishandeling, en medische behandelingen na messteken.
De rechtbank oordeelde dat ondanks de persoonlijke veiligheidsproblemen van opposant, niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten niet bereid zijn hem te helpen. De politie heeft zijn aangiften opgenomen, en er zijn geen systemische tekortkomingen aangetoond die het interstatelijk vertrouwensbeginsel zouden ondermijnen.
Daarom blijft de buitenzittingsuitspraak van 27 maart 2019 in stand, en is het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzet tegen de buitenzittingsuitspraak is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.