ECLI:NL:RBDHA:2019:6891

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 mei 2019
Publicatiedatum
11 juli 2019
Zaaknummer
NL19.9184
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMVluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag en oplegging inreisverbod wegens onvoldoende geloofwaardige vrees voor vervolging in Egypte

Eiser, een Egyptische nationaliteit, vroeg asiel aan met het verhaal dat hij in 1991 en 1992 vanwege politieke demonstraties in Egypte was gedetineerd en gemarteld. Hij vreesde vanwege zijn activiteiten op Facebook tegen het Egyptische regime en bedreigingen aan zijn familie een levenslange gevangenisstraf of de dood bij terugkeer.

Verweerder stelde dat hoewel de identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig waren, de actuele vrees voor vervolging niet aannemelijk was. Eiser verbleef sinds 1992 grotendeels illegaal in Nederland en België zonder eerder bescherming te zoeken. Ook waren zijn Facebook-activiteiten onvoldoende onderbouwd en ontbrak bewijs van bedreigingen.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat het gezinsleven in Egypte kan worden voortgezet en eiser zijn verblijf in Nederland illegaal voortzette.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag en oplegging van een inreisverbod van twee jaar gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen met een inreisverbod van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.9184

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.S.R. Mangroelal).

ProcesverloopBij besluit van 14 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Tevens is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.9185, plaatsgevonden op 21 mei 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting A. Fawzy als tolk aanwezig.

Overwegingen

1.1
Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1963.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag van 5 maart 2019 ten grondslag gelegd dat hij eind 1991 onderweg naar huis langs de universiteit van Cairo reed waar een demonstratie gaande was. Politie heeft toen een aantal jongeren gearresteerd. Eiser is ook opgepakt, vijf maanden gedetineerd geweest en tijdens zijn detentie gemarteld. Hij werd ervan beschuldigd dat hij wilde helpen bij een staatscoupe. Na vrijlating is hij na één maand wederom voor twee weken gedetineerd geweest, waarna hij vervolgens weer werd vrijgelaten. Omdat vrienden zeiden dat eiser zijn leven niet zeker was in Egypte heeft hij een visum aangevraagd om zijn broer in Nederland te bezoeken.
1.2
Het tweede deel van zijn asielrelaas is dat eiser in Nederland via Facebook het regime van Al-Sisi heeft aangevallen en bedreigd. Een jaar geleden is de zus van eiser door de veiligheidsdienst gebeld en hebben ze eiser bedreigd. Eiser vreest een levenslange gevangenisstraf of de dood als hij teruggaat naar Egypte.
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
 identiteit, nationaliteit en herkomst;
 vrees autoriteiten vanwege demonstratie en detenties in 1991/1992;
 activiteiten Facebook tegen zittende macht waardoor eiser vreest voor autoriteiten.
3. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De actuele vrees voor de Egyptische autoriteiten vanwege demonstraties en detenties in 1991 en 1992 is niet geloofwaardig geacht. Evenmin zijn de activiteiten op Facebook tegen de zittende macht, waardoor eiser vreest voor de autoriteiten, geloofwaardig geacht. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiser voert in beroep aan dat aangezien verweerder het geloofwaardig acht dat eiser in 1991 en 1992 gedetineerd is geweest, het ook geloofwaardig is dat hij een vernederende behandeling en marteling heeft ondergaan.
Tevens is eiser duidelijk over zijn actuele activiteiten op het internet. Door deze activiteiten heeft eiser zich gekant tegen het huidige Egyptische regime en loopt hij mede gezien zijn in het verleden ondergane detenties bij gedwongen terugkeer een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser doet daarnaast ook een beroep op artikel 8 EVRM Pro.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Egypte te vrezen heeft voor vervolging. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser, naar eigen zeggen, met een toeristenvisum naar Nederland is gereisd in 1992 en tot 2005 illegaal in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Eiser heeft van 2005 tot 2012 in België verbleven en vanaf 2012 zijn verblijf in Nederland voortgezet. Eiser heeft voorafgaand aan zijn aanhouding op 5 maart 2019 noch in Nederland noch in België de bescherming van het Vluchtelingenverdrag ingeroepen, wat niet duidt op een acute vrees.
5.2
Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat, voor zover de twee detenties in 1991 en 1992 als politiek probleem moeten worden aangemerkt, er van enige vrees voor of aandacht van de Egyptische autoriteiten geen sprake kan zijn. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat uit het feit dat eiser destijds twee keer is vrijgelaten zonder eventuele voorwaarden kan worden afgeleid dat de autoriteiten destijds al geen aandacht meer hadden voor hem. Dat eiser sinds zijn vertrek tenminste twee keer zonder problemen een nieuw paspoort heeft gekregen van de consulaire vertegenwoordiging van zijn land duidt ook niet op negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten. Daarnaast heeft eiser geen enkel document overgelegd waaruit blijkt dat er voor hem aandacht zou zijn vanuit de Egyptische autoriteiten.
5.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet in te zien valt dat, als eiser erg actief zou zijn op Facebook en daardoor problemen verwacht, hij niet eenduidig en eenvoudig de basisinformatie omtrent zijn account naar voren weet te brengen. Zo heeft eiser onduidelijk verklaard over de naam van zijn Facebook-pagina, de datum wanneer hij met de Facebook-pagina zou zijn gestart en hoe hij actief zou zijn op Facebook. De voor zitting overgelegde berichten maken naar het oordeel van de rechtbank de activiteiten op Facebook tegen de Egyptische autoriteiten niet alsnog aannemelijk. Zo is niet duidelijk of de berichten werkelijk van eiser afkomstig zijn, zijn de berichten niet door een beëindigde vertaler vertaald en dateren de berichten uit 2013.
Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat, nu het niet geloofwaardig is dat eiser negatief actief was op Facebook, het niet geloofwaardig is dat de zus van eiser zou zijn gebeld door de veiligheidsdienst. Eiser heeft door zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat hij in Egypte een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM Pro zal ondergaan.
5.4
Eiser doet een beroep op artikel 8 EVRM Pro omdat hij traditioneel is gehuwd en drie kinderen heeft. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn familie- en gezinsleven niet heeft aangetoond, omdat het traditionele huwelijk niet is aangetoond en omdat de naam van de vader niet is ingevuld op de kopieën van geboorteaktes. Daarnaast hebben de vrouw van eiser noch zijn kinderen de Nederlandse nationaliteit maar wel de Egyptische nationaliteit en kan het familie- en gezinsleven in het land van herkomst van eiser worden ingevuld.
Ten overvloede wordt door verweerder gesteld dat eiser heeft bekend zich bewust vanaf 1992 illegaal in Nederland te hebben opgehouden. Desondanks heeft hij in Nederland een gezin gesticht en zijn zijn drie kinderen hier te lande geworteld en hebben zij hier een sociaal leven opgebouwd. Dit is eiser aan te rekenen. Niet is gebleken dat de kinderen niet in Egypte kunnen aarden. Aannemelijk is dat ze van hun ouders iets van de Egyptische taal en cultuur hebben meegekregen. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. Maas, griffier, op 24 mei 2019.
griffier rechter
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.