ECLI:NL:RBDHA:2019:6576
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens dienstplichtontduiking in Turkije zonder reëel risico op schending artikel 3 EVRM
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man geboren in 1994, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van dienstplichtontduiking in Turkije. Hij stelde dat Koerdische dienstplichtigen worden gedood en dat hij bij terugkeer risico loopt op beschuldiging van landverraad, marteling en gevangenschap.
Verweerder achtte de vlucht wegens dienstplichtontduiking niet geloofwaardig en wees het verzoek af als kennelijk ongegrond. Eiser voerde in beroep aan dat een origineel oproepdocument voor een medische keuring abusievelijk als kopie was behandeld, wat zijn belangen schaadde. De rechtbank oordeelde dat het document terecht als kopie is beoordeeld en dat eiser onvoldoende plausibele uitleg gaf over de datum en herkomst van het document.
De rechtbank overwoog dat het ambtsbericht Turkije en andere bronnen geen aanwijzingen bevatten voor een actief opsporingsbeleid tegen dienstweigeraars en dat het grootste deel van dienstplichtontduikers niet vervolgd wordt. Ook het feit dat eiser in 2017 probleemloos Turkse identiteitsdocumenten verkreeg, deed afbreuk aan zijn verhaal.
Verder werd vastgesteld dat eiser zich niet onverwijld voor internationale bescherming heeft gemeld in Duitsland, wat zijn geloofwaardigheid aantastte. Gelet op het ontbreken van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer, werd het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af en informeerde over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep van eiser op asielverlening wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer.