ECLI:NL:RBDHA:2019:6511

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2019
Publicatiedatum
28 juni 2019
Zaaknummer
NL19.9280
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 AwbVerordening (EU) nr. 604/2013Richtlijn 2011/95/EURichtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres, een Moldavische burger, heeft samen met haar minderjarige dochter een asielaanvraag ingediend in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek op grond van de Dublinverordening.

Eiseres betoogde dat haar belangen onvoldoende waren meegewogen, dat zij in Duitsland geen toegang tot medische hulp zou hebben en dat zij niet in staat zou zijn om tegen Duitsland te klagen. Ook stelde zij dat zij, vanwege haar minderjarige kind, door de Nederlandse overheid had moeten worden ondersteund bij terugkeer naar Moldavië via de IOM.

De rechtbank oordeelde dat Duitsland verantwoordelijk is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. De enkele stelling van eiseres dat zij niet kan klagen is onvoldoende om hiervan af te wijken. Tevens is eiseres zelf verantwoordelijk voor een eventueel vrijwillig vertrek naar Moldavië. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.9280

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiseres

alsmede haar minderjarige kind
[naam 2]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en burger van Moldavië te zijn. Zij heeft mede namens haar minderjarige dochter op 3 maart 2019 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres heeft op 30 november 2018 in Duitsland een verzoek gedaan om internationale bescherming. Verweerder heeft de autoriteiten van Duitsland op grond van de Dublinverordening [1] gevraagd eiseres terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben op 27 maart 2019 met dit verzoek ingestemd.
3. Eiseres heeft daartegen het volgende aangevoerd:
- Wat eiseres heeft verklaard tijdens het aanmeldgehoor, is door verweerder niet kenbaar en deugdelijk gemotiveerd meegewogen in de belangenafweging.
- Eiseres krijgt in Duitsland geen toegang tot medische hulp en kan daar niet voorzien in primaire levensbehoeften. Ze bevond zich in een te zwakke positie om zich tot de hogere autoriteiten te wenden.
- De door verweerder gestelde verklaring van het IOM (Internationale Organisatie voor Migratie) van 12 april 2019 zit niet in het dossier. Verweerder had, ook omdat eiseres een minderjarig kind heeft, haar moeten outilleren middels het IOM terug te keren naar het land van herkomst.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet langer in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor behandeling van de asielaanvraag. Met het claimakkoord hebben de Duitse autoriteiten gegarandeerd dat het verzoek van eiseres om internationale bescherming met inachtneming van de richtlijnen [2] in behandeling zal worden genomen. Verweerder mag in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat dit in haar geval anders is. Indien Duitsland zich onverhoopt niet zou houden aan zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, staat voor eiseres de mogelijkheid open om daarover bij de Duitse autoriteiten te klagen. De enkele stelling van eiseres dat zij niet in staat zou zijn om te klagen, is onvoldoende om van dat uitgangspunt af te wijken.
5. Voor wat betreft de vraag of verweerder eiseres had moeten outilleren vrijwillig naar Moldavië terug te keren, overweegt de rechtbank dat eiseres zelf verantwoordelijk is voor een eventueel vrijwillig vertrek naar het land van herkomst, al dan niet met hulp van de IOM. Zij kan dit tot aan de daadwerkelijke overdracht aan Duitsland vanuit Nederland regelen, dan wel na overdracht vanuit Duitsland.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013
2.Te weten Ri 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn), Ri 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) en Ri 2013/33/EU (de Opvangrichtlijn)