ECLI:NL:RBDHA:2019:6416

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juni 2019
Publicatiedatum
27 juni 2019
Zaaknummer
09-857047-18, 09-057235-18 en 09-765040-18
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van poging tot moord op advocate met voorbedachten rade en andere strafbare feiten

Op 28 juni 2019 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van poging tot moord op een advocate, alsook van andere strafbare feiten. De zaak betreft een aanval op de advocate [slachtoffer 1] op 26 september 2017 in Zoetermeer, waarbij de verdachte en medeverdachten betrokken waren. De rechtbank oordeelde dat de verdachte samen met anderen een plan had gemaakt om de advocate te verminken, wat resulteerde in een poging tot moord. De verdachte werd ook beschuldigd van het voorhanden hebben van een alarmpistool en het mishandelen van een ambtenaar. De rechtbank achtte de betrokkenheid van de verdachte bij de poging tot moord bewezen, evenals de andere tenlastegelegde feiten. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar en 3 maanden. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelde partijen, waaronder de advocate en een andere benadeelde partij, voor de geleden schade als gevolg van de strafbare feiten. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers, en legde een zware straf op om de samenleving te beschermen tegen dergelijke gewelddadige daden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 09/857047-18, 09/057235-18 (ttz. gev) en 09/765040-18 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 28 juni 2019
Tegenspraak
(Promisvonnis)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te Amsterdam,
thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad te Zaandam.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van:
- pro forma: 23 augustus 2018, 8 november 2018, 24 januari 2019;
- inhoudelijk: 27 maart 2019 en 14 juni 2019.
De rechtbank heeft kennis genomen van:
- de vordering van de officier van justitie mr. S. van der Harg,
- hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. B.J. Polman en
- hetgeen door het slachtoffer [slachtoffer 1] , benadeelde partij [slachtoffer 2] en beider raadsman mr. R.A. Korver naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 27 maart 2019 - ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 09/857047-18):
hij op of omstreeks 26 september 2017 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 1] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het hoofd en/of de arm, althans het lichaam te steken en/of te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer (onbekende) andere perso(o)n(en) op of omstreeks 26 september 2017 te Zoetermeer, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, een persoon genaamd
[slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het hoofd en/of de arm, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden,
zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 25 september 2017 tot en met 26 september 2017 te Zoetermeer en/of Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest
door
- een of meer andere perso(o)n(en) te regelen en/of
- een afspraak met een advocaat op het kantoor van die [slachtoffer 1] te regelen en/of
- vervoer te regelen om die perso(o)n(en) vanaf Amsterdam naar Zoetermeer te brengen en/of
- die perso(o)n(en) te vergezellen en/of te begeleiden naar het kantoorpand van die [slachtoffer 1] en/of
- zich in de onmiddellijke nabijheid van dat kantoorpand op te houden en/of
- telefonisch contact te houden met een of meer perso(o)n(en);
meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 september 2017 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere (blijvende) littekens in het gezicht en/of op het hoofd en/of op een hand, heeft toegebracht door meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het hoofd en/of de arm, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] te steken en/of te snijden;
art 302 Wetboek van Strafrecht
art 303 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer (onbekende) andere perso(o)n(en) op of omstreeks 26 september 2017 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere (blijvende) littekens in het gezicht en/of op het hoofd en/of op een hand, heeft/hebben toegebracht door meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het hoofd en/of de
arm, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] te steken en/of te snijden
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 24 september 2017 tot en met 26 september 2017 te Zoetermeer en/of Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest
door
- een of meer andere perso(o)n(en) te regelen en/of
- een afspraak met een advocaat op het kantoor van die [slachtoffer 1] te regelen en/of
- vervoer te regelen om die perso(o)n(en) vanaf Amsterdam naar Zoetermeer te brengen en/of
- die perso(o)n(en) te vergezellen en/of te begeleiden naar het kantoorpand van die [slachtoffer 1] en/of
- zich in de onmiddellijke nabijheid van dat kantoorpand op te houden en/of
- telefonisch contact te houden met een of meer perso(o)n(en).
Ten aanzien van dagvaarding II (parketnummer 09/057235-18):
hij op of omstreeks 18 februari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een alarmpistool (merk BBM, model MINIGAP, 8mm) en/of munitie van categorie III, te weten een patroon (merk G.F.L., model Knal), voorhanden heeft gehad;
Ten aanzien van dagvaarding III (parketnummer 09/765040-18):
1.
hij op of omstreeks 3 augustus 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 3] ) meermalen in/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam heeft geduwd en/of geslagen en/of geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
2.
hij op of omstreeks 24 mei 2018 te Den Haag opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4] (senior transportbegeleider bij de [bedrijf] ), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die Van der [slachtoffer 4] in het gezicht te spugen.

3.Bewijsoverwegingen

3.1
Inleiding [1]
Op 26 september 2017 omstreeks 15:15 uur had advocaat [slachtoffer 1] op haar kantoor aan de [straatnaam] te Zoetermeer een afspraak met een potentiële cliënt. Deze wilde hulp bij een echtscheiding en wilde daarover met “advocaat [slachtoffer 1] ” praten. [2] Op het advocatenkantoor waren twee advocaten werkzaam met die achternaam, de zussen [slachtoffer 1] . Van hen was het [slachtoffer 1] die zich voornamelijk met echtscheidingen bezig hield. Voor zover de rechtbank hierna schrijft over ‘ [slachtoffer 1] ’ wordt [slachtoffer 1] bedoeld.
De man die op de afspraak verscheen (verder: de steker) had een zwart hoedje op, dikke zwarte kleding aan, een zwarte bril op en was volgens [slachtoffer 1] opvallend jong voor iemand die – zoals de man haar verteld had – al tien jaar getrouwd zou zijn. Nadat ze even hadden gesproken, wilde [slachtoffer 1] haar visitekaartje pakken. Vervolgens werd zij zonder enige aanleiding door de man aangevallen. De man duwde haar tegen de muur en stak/sneed haar met een stanleymes in haar gezicht, op haar hoofd en in haar hand. De man rende vervolgens weg. [3] [slachtoffer 1] werd hevig bloedend aangetroffen door personeel van het kantoor. Om 15:24 uur werd de aanval bij de politie gemeld. [4] Toen de politie arriveerde was [slachtoffer 1] matig aanspreekbaar. Ze had onder meer een diepe snee van ongeveer 6 centimeter in haar rechterwang, van de onderkant van haar linkeroor richting haar mond, en een snee op haar hoofd. Zij is met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht.
De politie heeft de identiteit van de steker niet kunnen achterhalen. De drie verdachten die terechtstaan, waaronder de verdachte, zouden volgens de officier van justitie betrokken zijn geweest bij het plan om een aanslag te plegen op de advocate.
De verdachte wordt – kort gezegd – verweten had hij als medepleger met anderen getracht heeft [slachtoffer 1] te vermoorden dan wel te doden. Als dat niet bewezen kan worden verklaard wordt hem verweten dat hij daar behulpzaam (medeplichtig) bij is geweest. Als dat niet bewezen kan worden verklaard wordt hem verweten dat hij als medepleger met anderen bij [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, al dan niet met voorbedachte rade. Als dat tot slot niet bewezen kan worden verklaard wordt hem verweten dat hij daar behulpzaam (medeplichtig) bij is geweest. De verdachte heeft alle betrokkenheid ontkend.
Voorts wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij (met anderen) een P.I. medewerker heeft mishandeld, een gedetineerden-transporteur heeft beledigd en dat hij een geladen vuurwapen voorhanden heeft gehad. Op de belediging na heeft hij zijn betrokkenheid bij die feiten ontkend.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I primair (impliciet primair) tenlastegelegde, te weten het medeplegen van poging tot moord, en het bij dagvaarding II en III tenlastegelegde.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I tenlastegelegde. Hij heeft aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat dat de verdachte betrokken is geweest bij de tenlastegelegde poging tot moord dan wel doodslag. Dat geldt ook voor het tenlastegelegde (met voorbedachten rade) toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook ontbreekt voldoende bewijs dat er sprake was van de voor medeplichtigheid vereiste opzet op het behulpzaam zijn én opzet op het misdrijf.
Ten aanzien van dagvaarding II en III heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.
3.4
Het standpunt van het slachtoffer
De raadsman van het slachtoffer heeft zich ten aanzien van dagvaarding I primair op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen, gericht op de tenlastegelegde poging tot moord. De subsidiaire tot uiterst subsidiaire standpunten gaan van medeplegen van een poging tot doodslag tot medeplichtigheid aan zware mishandeling, als dan niet met voorbedachten rade.
3.5
De beoordeling van de tenlastelegging
3.5.1
Dagvaarding I: aanval op advocate
Bij de bespreking van de tenlastegelegde gedragingen gaat de rechtbank uit van de feiten en omstandigheden die in de inleiding zijn besproken. Hoewel de steker niet is gevonden en nu niet terechtstaat, zal de rechtbank eerst de rol van de steker beoordelen voordat de rol van mogelijk andere betrokkenen zal worden besproken.
3.5.1.1 Handelingen van de steker: opzet.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de steker opzet had op de dood van [slachtoffer 1] .
Niet bewezen kan worden dat de steker het doel had om [slachtoffer 1] te doden (boos opzet). Dat maakt dat de rechtbank de vraag dient te beantwoorden of de steker door zijn geweldshandelingen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zou komen te overlijden. In dat geval zou er sprake zijn van voorwaardelijke opzet.
Uit de verklaring van [slachtoffer 1] in combinatie met het geconstateerde letsel aan haar hoofd volgt dat de steker minstens twee maal een snijdende/stekende beweging heeft gemaakt met een stanleymes richting het hoofd van [slachtoffer 1] . Het is een feit van algemene bekendheid dat het steken met een mes in het gelaat, nabij de halsstreek van een persoon tot de dood kan leiden. In die halsstreek bevinden zich immers grote slagaders die niet door andere structuren beschermd worden.
Het letsel aan de linkerwang van [slachtoffer 1] liep van de onderkant van het linkeroor richting de linker mondhoek. Daarmee liep het letsel parallel aan de kaaklijn en was het ongeveer 2 tot 3 centimeter verwijderd van de hals. Het stanleymes had volgens [slachtoffer 1] een lemmet van 3 tot 5 centimeter. [5] Te verwachten was dat [slachtoffer 1] zich zou verzetten tegen de aanval met het stanleymes. Daarmee was de kans op volledige controle op het snijden/steken door de steker vrijwel afwezig. Naar het oordeel van de rechtbank levert het onder die omstandigheden met een – gelet op de verwondingen – zeer scherp stanleymes met een lemmet van tenminste 3 centimeter snijden/steken in de richting van het hoofd en het gezicht in de buurt van de hals, met de zich daarin bevindende slagaders, een aanmerkelijke kans op de dood op. Met die geweldshandelingen heeft de steker bewust die aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] aanvaard. De steker had daarmee het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] .
3.5.1.2 Handelingen van de steker: voorbedachten rade.
Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de steker met voorbedachten rade heeft gehandeld. Hij moet dan gehandeld hebben na ‘kalm beraad en rustig overleg’.
De afspraak met [slachtoffer 1] is op 25 september 2017 telefonisch gemaakt met telefoonnummer [telefoonnummer] . [6] Dit telefoonnummer is voor het eerst actief de dag voor de aanval en was niet meer te bereiken op de dag na de aanval. [7] Naast SMS-berichten met provider Lyca (voorafgaande aan de aanval) en twee gesprekken van één seconde met onbekende telefoonnummers (na de aanval), is het telefoonnummer enkel gebruikt om drie keer te bellen met het advocatenkantoor. [8] Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het telefoonnummer in essentie enkel en alleen is gebruikt voor het onderhouden van contact met het kantoor.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de man uit het niets uithaalde en uit het dossier volgen verder geen aanwijzingen dat er op dat moment een directe aanleiding bestond voor de aanval van de steker.
Er is een dag voor de aanval een afspraak gemaakt met een advocaat voor een bespreking over een echtscheiding. Daarvoor is een nieuw telefoonnummer gebruikt, dat speciaal daarvoor in gebruik is genomen. Naar die afspraak is een stanleymes meegenomen. Dat het daadwerkelijk om een echtscheiding ging, werd door de advocaat betwijfeld; de steker was erg jong om al tien getrouwd te zijn. Zonder aankondiging of aanleiding werd [slachtoffer 1] gestoken. Uit die omstandigheden volgt dat de nodige voorbereidingen zijn getroffen om de aanval mogelijk te maken en dat de steker voorafgaand aan zijn bezoek al het plan had om [slachtoffer 1] aan te vallen met het stanleymes. Dit wordt ondersteund door de omstandigheid dat de steker zwarte kleding, een zwarte bril en een zwarte hoed droeg. Net als het speciaal hiervoor in gebruik genomen nummer past dat bij het verhullen van zijn identiteit. Dat verhullen laat zich wel rijmen met een geplande aanval en niet met een informatieve afspraak over een echtscheiding. De geplande aanpak van deze aanval duidt naar het oordeel van de rechtbank op kalm beraad en rustig overleg.
Dit alles maakt dat de steker met voorbedachten rade heeft gehandeld.
Tussenconclusie
De steker heeft opzettelijk en met voorbedachten rade gepoogd [slachtoffer 1] dodelijk te verwonden. Dit maakt dat er sprake is van een poging tot moord.
3.5.1.3 Andere betrokkenen
De chauffeur
Op camerabeelden van een flatgebouw aan de [straatnaam] in Zoetermeer is te zien dat kort voor de aanval, om 15:07:30 uur, een auto de doodlopende parkeerplaats voor het flatgebouw op rijdt. Dit is vermoedelijk een Seat Ibiza voorzien van het [kenteken] . [9]
Op de camerabeelden van 15:09:04 en :07 is een man te zien die voldoet aan het signalement van de steker. Hij loopt uit de richting van de Seat en gaat richting het advocatenkantoor. [10]
Op camerabeelden van 15:23 uur van hetzelfde flatgebouw is te zien dat een man die voldoet aan het signalement van de steker rent in de richting van [straatnaam] . [11] Hij loopt richting de doodlopende parkeerplaats waar de vermoedelijke Seat geparkeerd staat. Vervolgens rijdt om 15:26:08 uur de grijs/zwarte auto, die om 15:07:30 was komen aanrijden, de vermoedelijke Seat Ibiza, met hoge snelheid weg van die parkeerplaats, richting de doorgaande weg. [12]
Een Seat Ibiza met voornoemd kenteken is voor de aanval om 15:03:36 uur geregistreerd door een ARS-paal aan de Afrikaweg te Zoetermeer. Diezelfde auto is na de aanval om 15:32:57 uur geregistreerd door een ARS-paal op de A4 richting Amsterdam. Die auto stond geregistreerd op naam van [zus medeverdachte 1 ] , wonende te Amsterdam. [13]
Verdachte [medeverdachte 1] heeft op 16 mei 2018 verklaard dat hij wel eens gebruik maakt van de Seat van zijn zus. [14] In een handgeschreven verklaring van 6 juni 2018 schrijft hij niks te weten van wat er op het kantoor van de advocaat is gebeurd, de andere jongens hebben daarover niks tegen hem gezegd. Hij zet uiteen dat hij op school zat toen hij telefonisch werd benaderd om te gaan “snodderen” (de rechtbank begrijpt dit als werkwoordsvorm van ‘snorder’ en dus als het verlenen van illegale taxidiensten) voor een rit naar Zoetermeer. Men had tegen [medeverdachte 1] gezegd waar hij moest zijn in Zoetermeer en dat iemand daar een afspraak had, die niet lang zou duren. De jongen met het hoedje had op de terugweg niet gezegd wat er was gebeurd en toen zij in Amsterdam terug waren heeft hij hem daar weer afgezet. [15]
Tussenconclusie
[medeverdachte 1] heeft de steker per auto van Amsterdam naar Zoetermeer heeft vervoerd, samen met één of meer andere personen. Hij heeft in ieder geval de steker weer terug naar Amsterdam heeft gebracht.
Man NN2
Op de camerabeelden van voormeld flatgebouw en op camerabeelden van de Dominos Pizza is te zien dat vanaf het moment dat de steker in beeld komt, naast hem een man loopt. Deze man wordt aangeduid als NN2. De man loopt naast hem tot aan de rotonde waar het advocatenkantoor gevestigd is. [16] Die man had kort zwart naar achteren gekamd haar, droeg naast een zwarte jas met bontkraag een lichtkleurige broek en zwarte schoenen met een witte zool, en was normaal/smal van postuur. Hij neemt – als de steker vanaf de rotonde naar het advocatenkantoor loopt – de gehele rotonde en loopt tussen 15:12:22 en 15:14:19 uur aan de andere kant van de weg terug over de [straatnaam] . [17]
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij degene is die naast de persoon met het bolhoedje (die de rechtbank heeft aangemerkt als de steker) loopt en dat hij hem de weg heeft gewezen. [18] Hij heeft niet willen verklaren wat hij deed in Zoetermeer, hoe hij in Zoetermeer is gekomen of hoe hij Zoetermeer heeft verlaten. Uit het dossier volgt dat hij in Amsterdam woonde. [19]
Tussenconclusie
[medeverdachte] is NN2 en is met de steker door [medeverdachte 1] van Amsterdam naar Zoetermeer gebracht. Immers verklaart [medeverdachte 1] over jongens in meervoud, heeft [medeverdachte] constant naast de steker gelopen vanaf de plek waar [medeverdachte 1] de Seat had geparkeerd tot aan de rotonde en is van de steker reeds vastgesteld dat die door [medeverdachte 1] naar Zoetermeer was gebracht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] geen verklaring heeft willen geven gegeven voor hoe hij in Zoetermeer is gekomen, of over het doel van zijn aanwezigheid aldaar.
Verdere bewegingen van NN2?
Om 15:18:28 uur is op camerabeelden te zien dat een man met een witte broek en een zwarte jas op de Boerhaavelaan loopt, in de richting van de Nelson Mandelabrug. [20]
Om 15:29:30 uur is een man met hetzelfde signalement als [medeverdachte] , zoals hiervoor vastgesteld, maar met een bril op, te zien op beelden van camera’s gericht op de omgeving rondom en op de stations van RandstadRail en Zoetermeer, gelegen aan de Nelson Mandelabrug te Zoetermeer. Deze man loopt via de trap bij het perron van de RandstadRail over de Nelson Mandelabrug richting station Zoetermeer. De man loopt de kiosk binnen en loopt daarna naar een straatmuzikant, met wie hij een kort gesprek voert. Vervolgens loopt de man naar de kaartautomaat van de Nederlandse Spoorwegen, doet daar geld in, pakt er vervolgens twee keer iets uit, scant iets bij de poortjes en loopt bij spoor 3 de trap af naar beneden. [21] Vanaf dit spoor rijden alleen treinen richting Den Haag Centraal Station. Op camerabeelden van station Den Haag CS is om 16:05 uur dezelfde man te zien die uit de trein stapt op spoor 6/7 en die bij spoor 8/9 de stoptrein neemt richting Amsterdam Centraal Station die om 16:13:15 uur vertrekt. Tot slot is te zien dat de man om 17:07:25 uur uit de trein stapt op station Amsterdam Lelylaan. [22] Uit onderzoek naar de incheckgegevens van een toegangspoort bij spoor 8 en 9 blijkt dat de man daar incheckte met een kaartje dat om 15:34:01 uur was gekocht op Station Zoetermeer. [23]
De duur van een wandeling vanaf de [straatnaam] tot aan de Nelson Mandelabrug is ongeveer 15 minuten. [24]
Tussenconclusie
De rechtbank concludeert uit de voorgaande bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien dat de man op de bedoelde camerabeelden van de Boerhaavelaan en de Nelson Mandelabrug [medeverdachte] is. Immers, de signalementen komen overeen en de tijdstippen en de reisbeweging passen bij de duur van een wandeling vanaf de [straatnaam] tot aan de Nelson Mandelabrug. Voorts heeft [medeverdachte] niets willen verklaren over hoe en wanneer hij Zoetermeer heeft verlaten.
Man NN3
Om 15:20 uur, negen minuten voordat [medeverdachte] op de Nelson Mandelabrug te Zoetermeer verschijnt, is op de camerabeelden van diezelfde camera’s een man te zien die net als [medeverdachte] een lichte broek, een donkere jas en schoenen met witte zolen draagt. Ook draagt de man een opvallende zwarte bril. De man komt via de roltrap bij ingang Driemanspolder de Nelson Mandelabrug binnen. De man loopt vervolgens richting de straatmuzikant en zij hebben een gesprek. De man rent vervolgens naar de OV-poortjes, trapt de poortjes open en rent de trap af, vermoedelijk richting het perron. Om 15:35 uur is de man op camerabeelden van Den Haag Centraal Station te zien, terwijl hij rennend spoor 6 verlaat. Vervolgens checkt de man om 15:35 uur in in bij de OV-poortjes van spoor 8 en 9. De man stapt tot slot in een Sprinter richting Amsterdam Centraal. [25]
Een verbalisant heeft op de bewegende camerabeelden van de Nelson Mandelabrug de man herkend als zijnde [verdachte] (de verdachte), iemand die hij intensief volgt in het kader van Integrale Persoonsgerichte Aanpak. [26] De kwaliteit van de bewegende beelden is beter dan die van de schermafdrukken in het dossier. [27]
Uit onderzoek naar het door de man gebruikte OV-poortje op Den Haag Centraal Station blijkt dat er om 15:35:12 uur is ingecheckt met een OV-chipkaart op naam van [verdachte] (de verdachte). [28]
De verdachte heeft geen verklaring willen afleggen over de reden van zijn aanwezigheid in Zoetermeer, hoe hij in Zoetermeer is gekomen of hoe hij weer is vertrokken.
Tussenconclusie
De verdachte is NN3, de man die te zien is op camerabeelden van de Nelson Mandelabrug van 15:20 uur en op camerabeelden van Den Haag Centraal Station van 15:35 uur.
Contacten en betrokkenheid van de verdachte
Op 16 september 2017 zijn de verdachte en Dardak samen gecontroleerd toen zij in dezelfde auto zaten. [29]
Zoals reeds besproken heeft [medeverdachte 1] verklaard dat de afspraak om de persoon, die later de steker blijkt te zijn, naar Zoetermeer te brengen telefonisch is gemaakt. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Immers werd de gebruiker van dat telefoonnummer in sms-berichten met Omer aangesproken (gelijk aan de voornaam van [medeverdachte 1] ) en werd er veelvuldig met het telefoonnummer gebeld naar nummer [telefoonnummer] , op naam van huisgenoot/familie van de (toenmalige) vriendin van [medeverdachte 1] en met andere huisgenoten/familieleden van haar [30]
Uit de historische verkeersgegevens van dit telefoonnummer eindigend op -250 blijkt dat [medeverdachte 1] op 26 september 2017 om 13:23 uur voor de duur van 66 seconden is gebeld door telefoonnummer [telefoonnummer] . Dat telefoonnummer sms’te voorts driemaal en belde één maal tussen 15:22 en 15:32 uur wederom naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] stuurde om 15:27 uur een SMS-bericht naar dat telefoonnummer. Om 15:38 uur stuurde dat nummer wederom een SMS-bericht naar [medeverdachte 1] , die daarop belde naar dat nummer. Tussen 16:03 en 16:37 heeft [medeverdachte 1] nog vier maal contact gezocht met dit nummer. [31]
Van het telefoonnummer eindigend op -112 zijn bij provider KPN de historische verkeersgegevens gevorderd over de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 december 2017. Er waren alleen data voorhanden over 26 september 2017. De eerste activiteit met het nummer was tussen 13:17:37 en 13:19:48 uur, toen er vijf SMS-berichten vanaf de Lcya SMS-centrale werden ontvangen. Vervolgens was er om 13:21:40 uur voor drie seconden contact richting [medeverdachte 1] , waarna om 13:23:24 uur het gesprek met [medeverdachte 1] plaatsvond. Tot aan dat moment werden er door het telefoonnummer eindigend op -112 zendmasten in Amsterdam aangestraald. De daarop volgende activiteit was om 15:15:12 uur en dat betrof een SMS-bericht dat werd verstuurd naar het nummer van [medeverdachte 1] . Toen werd er door het telefoonnummer eindigend op -112 een zendmast in Zoetermeer aangestraald. Vervolgens komen de activiteiten naar het nummer van [medeverdachte 1] overeen met hetgeen reeds bij diens telefoonnummer is besproken. [32]
Vanaf 15:15:12 uur straalde het telefoonnummer eindigend op -112 aan op de volgende zendmasten: [33]
15:15:12 uur
Boerhaavelaan 7 te Zoetermeer
15:16:23 uur
Boerhaavelaan 7 te Zoetermeer
15:23:21 uur
Danny Kayelaan 20 Zoetermeer
15:27:31 uur
Tiber Den Haag
15:28:29 uur
Nieuweveense pad Den Haag
15:29:34 uur
Stationplein 4 Voorburg
15:32:20 uur
Binckhorstlaan 36 Den Haag
15:36:39 uur
Koningin Julianaplein 10 Den Haag
15:38:14 uur
Koningin Julianaplein 10 Den Haag
15:38:41 uur
Maasstraat 5 Den Haag
Voormelde zendmasten liggen allen op de route langs het spoor van Zoetermeer naar Den Haag Centraal Station. [34]
Tussenconclusie
De rechtbank concludeert uit de voorgaande bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien ten eerste dat [medeverdachte] en de verdachte elkaar kenden. Zij zijn immers een aantal dagen voor de aanval met elkaar in een auto aangetroffen.
Ten tweede concludeert de rechtbank dat het telefoonnummer eindigend op -112 is gebruikt voor het maken van de afspraak om de steker naar Zoetermeer te brengen. Dit nummer is namelijk pas in gebruik genomen op 26 september 2017, de dag van de aanval, en alleen op die dag gebruikt om contact te hebben met [medeverdachte 1] , de chauffeur.
Ten derde concludeert de rechtbank dat de verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op -112. Immers, de reisbeweging van de verdachte vanaf station Zoetermeer naar Den Haag Centraal Station past qua route en qua tijdstippen bij de zendmastgegevens van dat telefoonnummer. Daarmee staat buiten redelijke twijfel dat de verdachte de afspraak met [medeverdachte 1] heeft gemaakt om 13:23:24 uur voor het regelen van het vervoer van onder meer de steker naar Zoetermeer.
Tot slot concludeert de rechtbank dat de verdachte met [medeverdachte] en de steker door [medeverdachte 1] in de Seat naar Zoetermeer zijn gebracht. Daarvoor is van belang dat het de verdachte was die de afspraak met [medeverdachte 1] heeft gemaakt, dat [medeverdachte 1] heeft verklaard over ‘jongens’ en dat de verdachte [medeverdachte] kende. Verder hadden de verdachte en [medeverdachte 1] tussen het maken van de afspraak en het arriveren van de Seat op de parkeerplaats bij de flat van de [straatnaam] geen telefonisch contact, terwijl zij zowel daarvoor als daarna veelvuldig contact met elkaar hadden. Dat ondersteunt de conclusie over een gezamenlijke autorit. De rechtbank heeft al geconcludeerd dat [medeverdachte] met de steker door [medeverdachte 1] naar Zoetermeer is gebracht. Voorts past het arriveren van de Seat om 15:07:30 uur en het door de verdachte om 15:20 uur verschijnen bij de Nelson Mandelabrug bij eerder genoemde wandelduur van ongeveer 15 minuten vanaf de [straatnaam] .
Conclusie ter zake de vier betrokkenen
Uit hetgeen de rechtbank reeds heeft geconcludeerd volgt - in chronologische volgorde - het volgende:
- om 13:23:24 uur maakte de verdachte de afspraak met [medeverdachte 1] voor vervoer van Amsterdam naar Zoetermeer;
- de steker, [medeverdachte] en de verdachte zijn door [medeverdachte 1] in de Seat van Amsterdam naar Zoetermeer gereden;
- om 15:07:30 uur werd de Seat, met de vier mannen daarin, op de [straatnaam] geparkeerd;
- om 15:09 uur zijn [medeverdachte] en de steker vanaf de Seat richting het advocatenkantoor gelopen;
- de verdachte is vanaf de Seat richting de Nelson Mandelabrug gelopen;
- om 15:12:22 uur liep de steker bij de rotonde naar het advocatenkantoor, terwijl [medeverdachte] om de rotonde aan de andere kant van de weg terug liep;
- omstreeks 15:15 uur ging de steker het advocatenkantoor binnen;
- om 15:18:28 uur liep [medeverdachte] over de Boerhaavelaan richting de Nelson Mandelabrug;
- om 15:20 uur arriveerde de verdachte bij de Nelson Mandelabrug, praatte met een straatmuzikant en ging met de trein richting Den Haag Centraal Station;
- om 15:23 uur rende de steker vanaf het advocatenkantoor richting de Seat met daarin als chauffeur [medeverdachte 1] ;
- om 15:26:08 uur reden [medeverdachte 1] en de steker gezamenlijk in de Seat terug naar Amsterdam;
- om 15:29:28 arriveerde [medeverdachte] bij de Nelson Mandelabrug, praatte met de straatmuzikant en ging met de trein richting Den Haag Centraal Station;
- om 15:35 uur arriveerde de verdachte op Den Haag Centraal station en nam de trein richting Amsterdam Centraal;
- om 16:05 uur arriveerde [medeverdachte] op Den Haag Centraal Station, nam de trein richting Amsterdam Centraal en stapte om 17:07:25 uur uit op station Amsterdam Lelylaan.
3.5.1.4 Medeplegen door [medeverdachte] en de verdachte
Nu vast staat dat de [medeverdachte] , de verdachte en [medeverdachte 1] op enige manier betrokken zijn geweest bij de gang van zaken omtrent de aanval, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of zij wisten dat de steker [slachtoffer 1] op voornoemde wijze zou aanvallen en daarmee zou pogen haar te vermoorden en in het verlengde daarvan of zij bewust en nauw samenwerkten met de steker. Zij overweegt daartoe het volgende.
[medeverdachte 1]
Voor een bewezenverklaring van de aan [medeverdachte 1] tenlastegelegde medepleeg-variant is nodig dat er sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking van [medeverdachte 1] met de anderen, in elk geval met de steker. Daarvoor is geen bewijs. De rol van ingehuurd illegaal taxichauffeur is daarvoor onvoldoende.
Voor een bewezenverklaring van de medeplichtigheid is nodig dat bewezen kan worden dat [medeverdachte 1] opzet had op het misdrijf zelf en op zijn behulpzaamheid daarbij. Hoewel hij door zijn chauffeursvervoersdiensten bij het plegen van het feit onmiskenbaar behulpzaam is geweest, blijkt niet dat hij wist van de bedoeling van de anderen. Daaruit volgt niet enkel dat voor het opzet op het hoofdfeit geen bewijs is, maar ook dat het opzet op de behulpzaamheid daarbij niet bewezen kan worden. Wat er na het feit is gebeurd – het met snelheid wegrijden - kan op zichzelf niet als bewijs dienen van opzet op dat feit of op de behulpzaamheid.
[medeverdachte]
Kennis van de voorgenomen aanval
is met de steker en met de verdachte in de auto van Amsterdam naar Zoetermeer gereden. Hij is met de steker meegelopen vanaf de geparkeerde Seat tot aan de rotonde waar het advocatenkantoor gevestigd was.
Alleen al gezien de gezamenlijke autorit naar Zoetermeer – waarvan onduidelijk blijft wat verdachten er te zoeken hadden – en het meelopen met de steker ligt de wetenschap van [medeverdachte] van de voorgenomen aanval in de rede. Voor het wettig en overtuigend bewijs is dat echter naar het oordeel van de rechtbank nog niet voldoende.
[medeverdachte] en de verdachte waren bij de Nelson Mandelabrug te Zoetermeer op dezelfde wijze gekleed. Daarbij is opvallend dat [medeverdachte] toen hij met de steker van de Seat naar de rotonde liep nog geen bril op had, terwijl hij daarna, net als de verdachte, ineens wel een bril op had. Naast de kleding toonde ook het gedrag een opvallende gelijkenis, nu zowel de verdachte als [medeverdachte] dezelfde straatmuzikant aanspraken.
Voorts volgt uit het dossier dat de SIM-kaart van het telefoonnummer -112, waarmee de verdachte het contact legde en onderhield met [medeverdachte 1] , zat in een telefoon waarvan het [IMEI-nummer] was. In die telefoon heeft in de periode van 5 augustus 2017 tot en met 24 augustus 2017 een SIM-kaart gezeten met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dat telefoonnummer had in die periode enkel contact met vier telefoonnummers, waarvan twee nummers op naam van [medeverdachte] stonden. Eén van die telefoonnummers betrof [telefoonnummer] . [35] Uit tapgesprekken volgt dat op 9 februari 2018 de moeder van [medeverdachte] de toenmalige gebruiker was van dat telefoonnummer. [36]
Deze omstandigheden vragen om een verklaring, maar zijn onvoldoende om wetenschap van de aanval bewezen te achten.
Getuige 01
Naar het oordeel van de rechtbank geeft de verklaring van anonieme getuige 01 nadere invulling aan de wetenschap van [medeverdachte] . Deze getuige heeft zich gemeld nadat in de media camerabeelden waren getoond van onder meer de steker en [medeverdachte] toen zij over de [straatnaam] en op de rotonde liepen.
Getuige 01 heeft verklaard dat [medeverdachte] hem had verteld dat hij een opdracht had aangenomen die via een PGP-telefoon was aangeboden. De opdracht was om de vrouw (de rechtbank begrijpt [slachtoffer 1] ) in haar gezicht te “krassen”, te verminken. [medeverdachte] zou de afspraak met het advocatenkantoor hebben gemaakt en hij zou een vijftienjarige jongen naar het advocatenkantoor hebben gebracht. De persoon met het hoedje was die vijftienjarige jongen. [37] Getuige 01 heeft deze verklaring bij de rechter-commissaris herhaald. [38]
De rechtbank acht de verklaring van getuige 01 betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daartoe is redengevend dat getuige 01 over feiten heeft verklaard die niet in de media bekend zijn gemaakt en die bevestiging vinden in het dossier:
- Zo heeft getuige 01 verklaard dat [medeverdachte] na het feit naar Marokko is gegaan. [39] Uit het dossier volgt dat op 9 februari 2018 de moeder van [medeverdachte] geëmotioneerd met haar zus belde en dat zij zei dat “zijn vader” bijna gek werd en dat “hij” al geboekt had. Tien uur voor dat gesprek, om 0:42:29 uur is er op naam van [medeverdachte] een treinreis geboekt van luchthaven Amsterdam Schiphol naar luchthaven Brussel Midi Zuid. Een paar minuten na die boeking is er op naam van [medeverdachte] een SMS-bericht binnengekomen op het telefoonnummer eindigend op -893, bij zijn moeder in gebruik, betreffende een betaling aan TUI Airlines Belgium B.V. [40] Het boeken startte enkele uren nadat een politieagent naar een telefoonnummer had gebeld van de persoon via wie getuige 01 [medeverdachte] had leren kennen. In dat gesprek was door de politieagent per ongeluk gezegd dat het telefoonnummer voorkwam in een onderzoek naar “een steekpartij gepleegd in Zoetermeer”. [41] Voorts heeft [medeverdachte] bevestigd dat hij rond die tijd naar Marokko is gegaan. [42]
- Getuige 01 heeft ook verklaard dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik is bij [medeverdachte] . [43] Uit het dossier volgt dat dit telefoonnummer eindigend op -666 op 26 september 2017 [44] om 14:11:26 uur contact trachtte te leggen met eerder genoemd telefoonnummer eindigend op -112. [45] Het telefoonnummer eindigend op -666 straalde op 26 september 2017 om 15:53:33 uur een zendmast aan gelegen aan de Rijksweg A12-8 bij Zoetermeer. Om 16:12:58 uur straalde het telefoonnummer een zendmast aan aan de Maasstraat 5 te Den Haag, een zendmast met een dekkingsgebied waar ook Den Haag Centraal Station onder viel. Er werd toen gebeld naar eerder genoemd telefoonnummer eindigend op -893. [46] Blijkens de reeds besproken reisgegevens van [medeverdachte] arriveerde hij om 16:05 uur op Den Haag Centraal Station en vertrok hij daar om 16:13:15 uur. Gelet op het feit dat de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat [medeverdachte] betrokken was, maakt dit dat voldoende aannemelijk is geworden dat [medeverdachte] op 26 september 2017 de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op -666.
Als de verklaring van getuige 01 samen met de andere bewijsmiddelen wordt bezien, staat vast dat [medeverdachte] , toen hij naar Zoetermeer ging en met de steker vanaf de auto naar het advocatenkantoor liep, het voorgenomen plan om de advocaat ‘te krassen’ kende.
Medeplegen
Vervolgens is de vraag of er bewijs is dat [medeverdachte] niet enkel wist van de aanval, maar ook bewust en nauw heeft samengewerkt met de steker en eventuele anderen.
Naar het oordeel van de rechtbank passen de handelingen waarover getuige 01 heeft verklaard bij de handelingen van [medeverdachte] en die van de steker op 26 september 2017. Dat [medeverdachte] in de organisatie van de aanval zat, zoals getuige 01 heeft verklaard, past bij het meelopen/begeleiden door hem van de steker op zijn weg naar het advocatenkantoor. Daarnaast heeft hij de telefoon verschaft die is gebruikt om de rit naar Zoetermeer te regelen en probeerde hij op de dag van de aanval met het telefoonnummer -666 contact te leggen met het nummer eindigend op -112, dat op dat moment in gebruik was bij de verdachte en dat alleen op de dag van de aanval is gebruikt om in contact te treden met [medeverdachte 1] .
De rechtbank concludeert dat [medeverdachte] de opdracht heeft aangenomen om [slachtoffer 1] te “krassen” (te verminken), dat hij de steker heeft benaderd, dat hij contact heeft onderhouden met de verdachte die de vervoersafspraak naar Zoetermeer heeft gemaakt en dat hij met de verdachte een dwaalspoor heeft gecreëerd bij onder meer de Nelson Mandelabrug. Uit de rol van [medeverdachte] bij de aanval op [slachtoffer 1] en de omstandigheid dat de steker blijkens het voorgaande conform de opdracht heeft gehandeld volgt zijn nauwe en bewuste samenwerking met de steker en ook zijn (voorwaardelijk) opzet op een dodelijk gevolg bij de aanval.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [medeverdachte] als medepleger betrokken was bij de poging tot moord op [slachtoffer 1] .
De verdachte
Uit voorgaande bewijsmiddelen en overwegingen blijkt al veel van de betrokkenheid van de verdachte bij de aanval.
De verdachte heeft voorafgaand aan de aanval de afspraak maakte met [medeverdachte 1] voor het vervoer van Amsterdam naar Zoetermeer. Hij is met de steker en met de [medeverdachte] , de organisator van de aanval, in de auto van Amsterdam naar Zoetermeer gereden. Hij heeft, terwijl [medeverdachte] met de steker naar het advocatenkantoor liep, contact gehouden met [medeverdachte 1] terwijl die met de Seat klaar stond om de steker terug naar Amsterdam te brengen. Vervolgens heeft hij contact met [medeverdachte 1] gehad toen [medeverdachte 1] met de steker onderweg terug was naar Amsterdam.
Ook is hij direct nadat de Seat op de [straatnaam] arriveerde, naar de Nelson Mandelabrug gegaan om gelijk van Zoetermeer via Den Haag Centraal Station, richting Amsterdam te reizen. Tot slot hebben [medeverdachte] en de verdachte bij de Nelson Mandelabrug te Zoetermeer een dwaalspoor gecreëerd.
De verdachte is bij de politie geconfronteerd met zijn aanwezigheid in Zoetermeer, zijn aanwezigheid op de Nelson Mandelabrug en zijn reis van Zoetermeer via Den Haag Centraal Station, richting Amsterdam. Op vragen daarover heeft hij geen antwoord gegeven en zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Gelet op het voorgaande is het ongeloofwaardig dat de verdachte niet wist van de aanval en niet bewust en nauw samenwerkte met [medeverdachte] en de steker. Dat hij, onwetend van de geplande aanval, heen reist met de auto, maar voor de terugweg het openbaar vervoer kiest, om weer in Amsterdam te eindigen, is niet logisch.
Dat [medeverdachte] en de verdachte bij hun rit naar Zoetermeer (voor waarneming door een gemiddelde getuige) dezelfde outfit dragen, tot en met de bril aan toe, kan geen toeval zijn en is het bewijs voor afstemming. Dat ze vervolgens in die outfit dezelfde route volgen en dezelfde straatmuzikant aanspreken, hetgeen duidt op de bedoeling verwarring te zaaien, is een extra ondersteuning van dat oordeel. Met die afstemming is ook het regelen van het vervoer en het meegaan niet meer toevallig, maar onderdeel van de bewuste en nauwe samenwerking.
Een andere rol dan medepleger is gelet op het voorgaande niet redelijkerwijs denkbaar.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte als medepleger betrokken was bij de poging tot moord op [slachtoffer 1] .
3.5.1.5 Eindconclusie
Uit het voorgaande volgt dat wettig en overtuigend bewezen is dat de steker, [medeverdachte] en de verdachte nauw en bewust hebben samengewerkt in hun poging om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven.
3.5.2
Dagvaarding II: vuurwapen en munitie [47]
Op 18 februari 2019 omstreeks 05:10 uur werden politieagenten op het Rembrandtplein te Amsterdam aangesproken, nadat er een ruzie was geweest. Een vrouw verklaarde tegen hen dat er iets was geweest met een groep personen van Marokkaanse afkomst en dat een jongeman uit die groep haar een vuurwapen had laten zien. De jongeman zou een Marokkaans uiterlijk hebben, een zwarte jas dragen van het merk Armani met op de rug het cijfer 7. De groep zou zijn weggerend richting de Amstelstraat toen de agenten op de ruzie afkwamen. [48]
Aan de hand van aanwijzingen van Camera Toezicht is [verbalisant] rond 05:10 uur op zoek gegaan naar de persoon met de donkere Armani jas met achterop het cijfer 7. Twee personen waarvan eentje met een donkere jas waren gesignaleerd toen zij met versnelde pas liepen vanuit de Amstelstraat over de Amstel richting de Herengracht en de brug met de Herengracht waren overgestoken. Bij perceel 254 op de Herengracht trof de verbalisant een stilstaande man aan, die later bleek te zijn [medeverdachte 2] . Voorts zag de verbalisant een tweede man achter een stenen trappetje vandaan komen. Die man droeg een donkere jas, met op de achterzijde het cijfer 7. Dit bleek later de verdachte te zijn. Een onderzoek aan diens kleding resulteerde echter niet in de vondst van het wapen. [49]
Omstreeks 05.19 uur werd door [verbalisant] een vuurwapen aangetroffen. [verbalisant] zag dat het vuurwapen was aangetroffen achter voornoemd stenen trappetje. [50]
Omstreeks 05:20 uur werd de verdachte op de Amstel aangehouden. Hij droeg een zwartkleurige jas van het merk Armani met op de achterzijde het cijfer 7. [51]
Het aangetroffen vuurwapen betrof een alarmpistool van het merk BBM, model MINIGAP, kaliber 8mm knal. In het patronenmagazijn zat een patroon. Het wapen betrof een vuurwapen in de zin van artikel 2 lid 1, categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie. De patroon betrof munitie in de zijn van artikel 1, onder 2 gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet Wapens en munitie. [52]
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad.
3.5.3
Dagvaarding III: mishandeling en belediging
3.5.3.1 Feit 1: mishandeling [53]
[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 3 augustus 2018 in de Penitentiaire Inrichting in Hoogvliet in de openbare ruimte met een gedetineerde in zijn armen liep. Hij zag uit een openstaande deur [gedetineerde] komen. Deze sloeg vervolgens de gedetineerde die [slachtoffer 3] vast had in het gezicht. Die raakte bewusteloos. Hierop zag [slachtoffer 3] twee andere gedetineerden, te weten gedetineerde [gedetineerde] en de verdachte, opstaan en op hem af komen rennen. [slachtoffer 3] zag een vuist op zich afkomen en draaide daarvan weg. Hij voelde vervolgens een harde klap op de zijkant van zijn oogkas. Dit veroorzaakte een bult. Nadat hij was geslagen zag hij dat [gedetineerde] en de verdachte schoppen gaven tegen gedetineerde [gedetineerde] . Hij heeft niet gezien wie hem de vuistslag gaf. [54]
[gedetineerde] heeft verklaard dat hij de gedetineerde die met [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt [slachtoffer 3] ) was een duw heeft gegeven toen hij hem zag. Hij heeft voorts verklaard dat hij zag dat de verdachte een slaande beweging maakte, maar dat hij niet had gezien of de verdachte [slachtoffer 3] had geraakt. [55]
De rechtbank overweegt dat zo verdachte al niet zelf geslagen heeft, hij samen met een ander op de medegedetineerde en de bewaarder is afgegaan, zich in de vechtpartij heeft gemengd en daarbij ook een slaande beweging heeft gemaakt.
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte of zijn mededader [slachtoffer 3] tegen diens hoofd heeft geslagen.
3.5.3.2 Feit 2: belediging [56]
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit bekend heeft voor zover de rechtbank dat bewezen zal verklaren. Aangezien hij nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit, wordt op de voet van art. 359 lid 3, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 maart 2019;
- een geschrift, te weten Rapport Dienst vervoer & ondersteuning, p. 652 t/m 654;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 669.
3.6
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 09/857047-18):
primair (impliciet primair):
hij op 26 september 2017 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 1] meermalen met een mes in het gezicht en het hoofd heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van dagvaarding II (parketnummer 09/057235-18):
hij op 18 februari 2018 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een alarmpistool (merk BBM, model MINIGAP, 8mm) en munitie van categorie III, te weten een patroon (merk G.F.L., model Knal), voorhanden heeft gehad;
Ten aanzien van dagvaarding III (parketnummer 09/765040-18):
1.
hij op 3 augustus 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 3] ) tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen;
2.
hij op 24 mei 2018 te Den Haag opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4] (senior transportbegeleider bij de [bedrijf] ), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die Van der [slachtoffer 4] in het gezicht te spugen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafmaat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de persoon van de verdachte los dient te worden gezien van het bij dagvaarding I tenlastegelegde. Voorts is ten aanzien van de overige feiten aangevoerd dat de verdachte weliswaar geen model gedetineerde was, maar dat de frustraties die tot de belediging leidden enigszins begrijpelijk zijn. Volgens het standpunt van de raadsman dienen voor de feiten van dagvaarding II en III een geldboete van € 550,- voor het Wet wapen en munitie feit, een geldboete van € 500,- voor de mishandeling en een geldboete van € 150,- voor de belediging te worden opgelegd.
6.3
Het standpunt van het slachtoffer
De raadsman van het slachtoffer heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.
6.4
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Vooropgesteld wordt dat niet is gebleken dat verdachte, zijn medeverdachte en de steker daadwerkelijk wilden dat hun slachtoffer zou overlijden.
Wel zijn ze op pad gegaan om het slachtoffer, een advocate, op een levensgevaarlijke wijze te verwonden. Dat is geen opwelling geweest. Er is een plan gemaakt en tevoren zijn zaken als vervoer en een afspraak bij het kantoor van het slachtoffer in Zoetermeer geregeld. Doel van het plan was om het slachtoffer te verminken. Daarbij hebben de verdachten bewust geaccepteerd dat zij het geweld mogelijk niet zou overleven. Dat het slachtoffer niet is overleden is zeker niet aan de verdachten te danken geweest.
De medeverdachte heeft de opdracht aangenomen om het slachtoffer te verminken, hij heeft de (vermoedelijk vijftienjarige) onbekend gebleven steker betrokken bij zijn plan en hem richting het kantoor van het slachtoffer begeleid. De verdachte heeft het vervoer van Amsterdam naar Zoetermeer geregeld. Beiden zijn meegegaan naar Zoetermeer. Ze hebben bewust en nauw samengewerkt bij de uitvoering van het weerzinwekkende plan en zich samen met de steker schuldig gemaakt aan deze poging tot moord. Het feit wijst op een ontbreken van enig respect voor de lichamelijke en ook geestelijke integriteit van andere mensen.
Het slachtoffer is door de aanval letterlijk voor het leven getekend. Zij heeft meerdere littekens overgehouden, waarvan de meest prominente op haar wang van oor tot mond. Zij zal dus elke keer dat zij in een spiegel kijkt, worden herinnerd aan de verschrikkelijke aanval die haar het leven had kunnen kosten. Uit haar schriftelijke slachtofferverklaring volgt ook dat zij bang was om het leven te laten. Zij heeft door de aanval moeten besluiten om haar carrière als advocate in ieder geval voor nu niet meer voort te zetten. Voorts is een aanleiding voor de aanval niet duidelijk geworden en hebben de verdachten hier op geen enkele wijze duidelijkheid over willen geven, waardoor het slachtoffer ook nu nog veel angst heeft en iedere dag over haar schouder kijkt. Voor haar is onbegrijpelijk dat zij is aangevallen door een cliënt, aan wie zij juist juridische hulp wilde bieden.
De verdachten hebben zich evenmin iets gelegen laten liggen aan de gevolgen voor de aanwezige medewerkers en cliënten. Een dergelijke aanval is niet alleen voor het slachtoffer traumatisch, maar niet zelden ook voor omstanders.
Het uitvoeren van een plan om een volkomen onbekende met levensgevaarlijke geweldshandelingen te verminken is bijzonder ernstig. Niet voor niets is moord bedreigd met een levenslange gevangenisstraf, zodat ook de poging daartoe zwaar bestraft dient te worden.
In dit geval weegt als strafverzwarend mee dat de medeverdachte de opdracht tot deze aanval via PGP-telefoon is aangeboden en dat de verdachten hiervoor betaald zouden krijgen. Reeds daaruit blijken contacten in een crimineel circuit, die weinig geruststellend zijn. Ook getuigt het van een zekere professionaliteit. Het is geen persoonlijke kwestie tussen de verdachten en het slachtoffer, maar louter een zakelijke afspraak. De verdachten zijn als huurlingen te werk gegaan. De gevolgen voor het slachtoffer waren, zo ze al onderdeel waren van de afweging, volledig ondergeschikt aan de financiële belangen van verdachten. Dat ze met het geplande geweld het leven van het slachtoffer in de waagschaal stelden is dan ook gewetenloos.
De verdachten hebben door hun zwijgen op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor hun daad.
Het is tegen deze achtergrond dat de aan de verdachten op te leggen gevangenisstraf niet alleen dient ter bestraffing, maar ook in aanzienlijke mate staat in de sleutel van beveiliging van de samenleving. Verder beoogt de rechtbank met de op te leggen straf duidelijk te maken dat op deze ernstige en berekenende vormen van geweld een stevige reactie van de strafrechter volgt. Het moet buiten twijfel zijn dat het aannemen van opdrachten als deze nooit mag lonen.
De verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan een mishandeling van een PI-medewerker, de belediging van een transportbegeleider van gedetineerden en het bezit van een geladen vuurwapen. Met die feiten heeft hij de lichamelijke integriteit van de PI-medewerker, en de goede naam en eer van de transportbegeleider aangetast, en de kans voor mogelijk gehouden dat het geladen vuurwapen kon worden gebruikt bij criminele activiteiten. Hoewel die feiten niet met zulke zware straffen bedreigd zijn als een poging tot moord, gaan ze niet op de in hoge straf die verdachte voor de poging tot moord opgelegd zal krijgen. Dat zou geen recht doen aan de slachtoffers van deze overige feiten. Ook zou het betekenen dat na het begaan van een ernstig feit een verdachte feitelijk straffeloos lichtere feiten kan plegen, hetgeen een onacceptabel gevolg zou zijn.
De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 17 mei 2019. Aan psychologische en psychiatrische onderzoeken heeft de verdachte niet willen meewerken.
De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het Reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, d.d. 18 maart 2019, opgesteld door [reclasseringsmedewerker] . Daaruit volgt dat de reclassering concludeert dat zij door de ontkennende houding van de verdachte ten aanzien van de poging tot moord geen uitspraak kunnen doen over de relatie van criminogene factoren en het delictgedrag. Er zijn echter wel op diverse leefgebieden risicofactoren. De verdachte heeft een sociaal netwerk in het criminele circuit en weigerde tot voor kort hulpverlening/begeleiding vanuit de TOP1000 aanpak, hierin gesteund door zijn ouders. Hij is het afgelopen jaar nauwelijks op school geweest. Voorts is er geen duidelijk beeld van de dagbesteding van de verdachte. Tijdens detentie wil hij niet werken vanwege zijn diabetes, hij heeft problemen met zijn agressie-regulatie en hij lijkt verhoogd krenkbaar te zijn. Er zijn aanwijzingen van scheefgroei in de persoonlijkheid, maar diagnostiek ontbreekt omdat de verdachte medewerking daar aan weigert. Er zijn schulden vanwege opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en hij heeft geen andere bron van inkomsten dan zijn studiefinanciering. Beschermende factoren lijken niet aanwezig. De kans op recidive wordt net als de kans op letselschade hoog ingeschat. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen, voornamelijk omdat men geen mogelijkheden meer ziet voor pedagogische beïnvloeding. De reclassering adviseert voorts bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
Gelet op al het bovenstaande zal de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nader te noemen duur opleggen, omdat gelet op de ernst van de feiten niet met een andere strafmodaliteit kan worden volstaan. Nu er één straf wordt opgelegd, dienen de andere feiten dat lot te delen. Voor een differentiatie door nog straf in een andere modaliteit op te leggen is onvoldoende grond.

7.De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]

7.1.
De vordering
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd en vordert (na wijziging van de vordering bij brief van 6 juni 2019) € 133.256,73 aan materiële schade en € 22.500,- aan immateriële schade, in totaal dus € 155.756,73, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het de posten “reiskosten hoger beroep”, ‘toekomstige gederfde inkomsten” en “kosten faillissement” betreft. Deze schadeposten zijn te ingewikkeld en lenen zich daarom niet voor behandeling in het strafproces. De overige schadeposten, waaronder ook de immateriële schade, zijn volgens de officier van justitie voldoende onderbouwd en redelijk en kunnen worden toegewezen. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
7.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat de vordering te ingewikkeld is en zich daarom niet leent voor behandeling in het strafproces, omdat het deels om toekomstige kosten gaat en omdat de vordering voorts onvoldoende is onderbouwd.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de verschillende gevorderde schadeposten hieronder afzonderlijk bespreken, waarbij per post zal worden ingegaan op de vraag of de benadeelde partij ontvankelijk is.
Reiskosten € 1.456,00
Dit deel van de vordering ziet op de reiskosten die de benadeelde partij heeft moeten maken in verband met bezoeken aan het ziekenhuis, een therapeut, het parket en de rechtbank. Nu deze kosten het directe gevolg zijn van het steekincident komen zij voor vergoeding in aanmerking. Het ontbreken van het woonadres van de benadeelde partij staat aan toewijzing van deze vordering niet in de weg. Weliswaar valt daardoor niet precies te controleren of de reiskosten correct zijn berekend, maar gelet op de aard van het delict is het volstrekt begrijpelijk dat de benadeelde partij haar adresgegevens niet aan de verdediging wil verstrekken. De gevorderde reiskosten komen niet buitensporig voor, en zullen daarom worden toegewezen.
Medische kosten € 918,- en € 459,-
Dit deel van de vordering ziet op het eigen risico over de jaren 2017, 2018 en 2019. Tegen de medische kosten oven de jaren 2017 en 2018 is geen verweer gevoerd zodat deze vorderingen kunnen worden toegewezen. Voor wat betreft het eigen risico over 2019 is van belang dat het jaar 2019 al voor de helft verstreken is en de benadeelde partij te kennen heeft gegeven dat zij nog steeds onder behandeling staat van een psychiater. Dat zij daarvan nog geen rekening heeft kunnen overleggen, wordt door haar verklaard door het feit dat de psychiater per tien sessies factureert waardoor zij nog geen nota heeft ontvangen. Deze verklaring komt aannemelijk voor. Nu deze medische kosten ten laste komen van het eigen risico van de benadeelde partij, zullen ook de gevorderde medische kosten worden toegewezen.
Gederfde inkomsten € 25.136,92 en € 80.233,08.
Vaststaat dat de benadeelde partij na het steekincident een tijd lang arbeidsongeschikt is geweest. In die tijd heeft zij een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen. Ook staat vast dat het advocatenkantoor waarvan de benadeelde partij samen met haar zus eigenaresse was, korte tijd na het steekincident failliet is gegaan. De benadeelde partij stelt dat zij daardoor in inkomen achteruit is gegaan. Dat het steekincident gevolgen heeft gehad voor het inkomen van de benadeelde partij lijkt aannemelijk, de vraag is echter om welk bedrag het daarbij gaat en of de inkomensachteruitgang (volledig) het gevolg is van het steekincident. Daarbij gaat het om complexe vragen. Het door de benadeelde partij ter onderbouwing van haar vordering overgelegde rapport van BDO accountants is onvoldoende om tot integrale toewijzing van dit deel van de vordering over te kunnen gaan. De schade begrotend is de rechtbank van oordeel dat in elk geval een € 10.000,- als schadevergoeding kan worden toegewezen. Voor het overige zal nader onderzoek moeten plaatsvinden. Voor een dergelijk onderzoek is in het strafgeding geen plaats, nu dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de civiele rechter aanbrengen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering ter zake van gederfde inkomsten.
Kosten faillissement € 17.573,65Dit deel van de vordering ziet op kosten van het faillissement van de praktijkvennootschap. Niet is duidelijk waarom de schade van de rechtspersoon voor rekening van de bestuurders zou komen. In elk geval blijkt niet dat de faillissementskosten het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Kosten kinderopvang € 700,-
Dit deel van de vordering ziet op de kosten van kinderopvang nadat de benadeelde partij was gestoken. Hoewel ze thuis fysiek aanwezig was, heeft ze toen niet voor haar kind kunnen zorgen en is haar kind naar de kinderopvang gegaan waardoor zij kosten heeft moeten maken. Deze kosten komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. Ook in de jaren voorafgaand aan het steekincident ging het kind van de benadeelde partij immers naar de kinderopvang. Als het steekincident niet had plaatsgevonden was de benadeelde partij op haar werk geweest en had zij deze kosten dus ook moeten maken. Ter zitting is namens de benadeelde partij nog aangevoerd dat de kosten in dat geval lager waren geweest, maar deze stelling is verder niet feitelijk onderbouwd en zal daarom worden gepasseerd. De vordering zal voor dit deel worden afgewezen.
Kosten kleding, Michael Kors horloge, gouden oorbellen € 400,-Dit deel van de vordering ziet op kleding en sieraden die de benadeelde partij droeg ten tijde van de aanval. Dat de kleding van de benadeelde partij niet meer bruikbaar was, acht de rechtbank, gelet op de aard van het letsel en het daarbij opgetreden bloedverlies, aannemelijk. Verder is het invoelbaar dat zij haar horloge en oorbellen niet meer wil dragen omdat deze haar herinneren aan het steekincident, zoals zij heeft aangevoerd. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het misdrijf en komt voor vergoeding in aanmerking. Nu de benadeelde partij niet meer over de bonnen beschikt, zal de rechtbank de schade begroten op het door haar gevorderde bedrag van € 400,- nu dit bedrag niet bovenmatig voorkomt. De vordering zal voor dit deel worden toegewezen.
Kosten auto € 4.924,08Dit deel van de vordering ziet op kosten van een lease-auto. Deze gestelde schade is uitsluitend onderbouwd door overlegging van een overzicht van een Rabo directrekening waaruit blijkt dat er maandelijks een bedrag werd betaald aan Opel Finance B.V.. Waarom dit schade is geleden ten gevolge van de poging tot moord wordt verder niet onderbouwd. In dit deel van de vordering is de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk.
Reiskosten hoger beroep € 1.456,-
Dit deel van de vordering ziet op reiskosten voor een eventuele behandeling van de strafzaak in hoger beroep. Deze schade kan het gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit, maar is op dit moment nog niet geleden. Om die reden moet de vordering worden afgewezen.
Immateriële schadevergoeding € 22.500,-
Dit deel van de vordering betreft de immateriële schade als gevolg van de aanval. Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 22.500,- toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een totaal toe te wijzen bedrag van
€ 35.733,-
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de schadevergoeding toewijzen met ingang vanaf 26 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.
Schadevergoedingsmaatregel.
Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van € 35.733,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

8.De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]

8.1.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd en vordert € 128,96 aan materiële schadevergoeding en € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
8.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering ter zake van de reiskosten hoger beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard. Voor het overige dient de vordering te worden toegewezen. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
8.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering dan wel dat deze dient te worden afgewezen, omdat het deels om toekomstige kosten gaat en omdat de vordering voorts onvoldoende is onderbouwd.
8.4.
Het oordeel van de rechtbank
Reiskosten 128,96
Dit deel van de vordering ziet op de reiskosten die de benadeelde partij heeft moeten maken in verband met slachtoffergesprekken en het bezoeken van zittingen bij de rechtbank. Nu deze kosten het directe gevolg zijn van het steekincident, komen zij voor vergoeding in aanmerking. Het ontbreken van het woonadres van de benadeelde partij staat aan toewijzing van deze vordering niet in de weg. Weliswaar valt daardoor niet precies te controleren of de reiskosten correct zijn berekend, maar gelet op de aard van het delict is het volstrekt begrijpelijk dat de benadeelde partij haar adresgegevens niet aan de verdediging wil verstrekken. De gevorderde reiskosten komen aannemelijk en niet buitensporig voor en zullen daarom worden toegewezen.
Immateriële schade € 10.000,-
Ter onderbouwing van deze vordering heeft de benadeelde partij een brief overgelegd van een psycholoog van Forta Groep, waar zij onder behandeling is geweest. Uit deze brief volgt dat er bij de benadeelde partij sprake is van een posttraumatische stressstoornis. De klachten zijn begonnen na het steekincident en de benadeelde partij wordt hiervoor behandeld met EMDR. Uit deze brief blijkt dat er sprake is van een erkend psychiatrisch ziektebeeld (DSM-5) en dat dit ziektebeeld een direct gevolg is van het misdrijf waarvoor verdachte wordt veroordeeld. Ook blijkt uit deze brief dat de benadeelde partij voordat zij bij Forta onder behandeling kwam, bij een andere psycholoog onder behandeling was. Daaruit blijkt dat het dus niet zo is dat zij zich pas ruim 15 maanden na het steekincident onder behandeling heeft laten stellen. In dergelijke gevallen kan, gelet op de geldende jurisprudentie (HR 22-2-2002, NJ 2002/240), bij degene die met dit misdrijf direct is geconfronteerd immateriële schade ontstaan die (als shockschade) voor vergoeding in aanmerking komt. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van de benadeelde partij voldoende aannemelijk dat daarvan sprake is. Bij de begroting van de immateriële schade houdt de rechtbank rekening met alle omstandigheden van het geval waaronder de aard en de ernst van het letsel, het feit dat de benadeelde partij direct na het steekincident ter plaatse was en haar zus (het slachtoffer van de aanval) hevig bloedend op de grond heeft aangetroffen en het feit dat zij heeft gedacht dat zij haar zus zou verliezen. Gelet daarop acht de rechtbank een bedrag van € 10.000,-, zoals gevorderd, redelijk en in overeenstemming met hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt toegekend.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een totaal toe te wijzen bedrag van
€ 10.128,96.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de schadevergoeding toewijzen met ingang vanaf 26 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.
Schadevergoedingsmaatregel.
Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.128,96 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

9.De inbeslaggenomen goederen

9.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht) onder 1 en 2 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt naar voren gebracht over het beslag.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde feit van dagvaarding II is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 36 b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 266, 267, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I (parketnummer 09/857047-18) primair (impliciet primair), de bij dagvaarding II (parketnummer 09/057235-18) en de bij dagvaarding III (parketnummer 09/765040-18) onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 09/857047-18):
medeplegen van poging tot moord;
ten aanzien van dagvaarding II (parketnummer 09/057235-18):
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het
feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van dagvaarding III (parketnummer 09/765040-18) – feit 1:
medeplegen van mishandeling;
ten aanzien van dagvaarding III (parketnummer 09/765040-18) – feit 2:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar en 3 (drie) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 35.733,-(vijfendertigduizend zevenhonderd en drieëndertig euro), vermeerdert het bedrag met de wettelijke rente met ingang van 26 september 2017;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de gevorderde schade vanwege faillissmentskosten en vanwege kosten lease-auto;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering ten aanzien van de gederfde inkomsten voor zover die vordering hoger is dan € 10.000,- en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
wijst de vordering voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] € 35.733,- aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 26 september 2017;
bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 162 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor vermelde verplichting niet op.
bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 10.128,96(tienduizend honderdachtentwintig euro en zesennegentig cent), vermeerdert het bedrag met de wettelijke rente met ingang van 26 september 2017;
veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] € 10.128,96 aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 26 september 2017;
bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 85 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor vermelde verplichting niet op.
bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
verklaart onttrokken aan het verkeerde op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten:
#1: een alarmpistool;
#2: munitie.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter,
mr. M.E. Groeneveld-Stubbe, rechter,
mr. G.H.M. Smelt, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juni 2019.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal van onderzoek Electra (Electra / DH4R017052), van de District Recherche Zoetermeer (doorgenummerd blz. 1 t/m 730).
2.Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 62.
3.Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] , p. 24.
4.Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] , p. 30; Proces-verbaal van bevindingen, p. 2; Proces-verbaal van bevindingen p. 8, met fotobijlagen p. 10 en 11.
5.Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 36.
6.Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 62.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 209 en 210; Proces-verbaal van bevindingen, p. 216.
8.Proces-verbaal van bevindingen histo 31685598248, p. 205
9.Proces-verbaal bevindingen onderzoeksresultaten, p. 185, afbeelding 4 p. 188.
10.Proces-verbaal camerabeelden cam4 op de [straatnaam] , p. 180 en 181.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 142; Proces-verbaal bevindingen onderzoeksresultaten, p. 193 en 194.
12.Proces-verbaal camerabeelden cam4 op de [straatnaam] , p. 179, 181 en 182.
13.Proces-verbaal bevindingen onderzoeksresultaten, p. 187 en 195.
14.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 587.
15.Geschrift, te weten handgeschreven verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 6 juni 2018, p. 610.
16.Proces-verbaal van bevindingen, p. 148 t/m 155; Proces-verbaal bevindingen onderzoeksresultaten, p. 189 t/m 192.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 149 en 150.
18.Proces-verbaal van verhoor verdachte M. [medeverdachte] , p. 502-503.
19.Geschrift, te weten ID-staat van M. [medeverdachte] , p. 513.
20.Proces-verbaal van bevindingen, p. 144.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 159 t/m 164.
22.Proces-verbaal bevindingen camerabeelden pro Rail “man 2” van Station Den Haag CS en Amsterdam Lelylaan, p. 166 t/m 173.
23.Proces-verbaal van bevindingen, p. 365; Proces-verbaal van bevindingen, p. 369 en 370.
24.Proces-verbaal bevindingen onderzoeksresultaten, p. 199.
25.Proces-verbaal van bevindingen beelden nnman3, p. 235 t/m 238.
26.Proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 357 en 359.
27.Proces-verbaal van bevindingen, p. 235.
28.Proces-verbaal opgevraagde gegevens translink, p. 245 t/m 247.
29.Proces-verbaal bevindingen M-melding Opel Astra, p. 219.
30.Proces-verbaal van bevindingen, p. 305; Proces-verbaal van bevindingen, p. 328-329.
31.Proces-verbaal van bevindingen, p. 305 en 306.
32.Proces-verbaal van bevindingen, p. 298 en 299.
33.Proces-verbaal van bevindingen, p. 299.
34.Proces-verbaal van bevindingen, p. 306.
35.Proces-verbaal van bevindingen, p. 379 en 380.
36.Proces-verbaal van bevindingen, p. 464.
37.Proces-verbaal van verhoor getuige 01, p. 478, 484 en 486.
38.Proces-verbaal van verhoor getuige 01 bij de rechter-commissaris, d.d. 6 november 2018, p. 4, 5, 20 en 23 van dat proces-verbaal.
39.Proces-verbaal van verhoor getuige 01, p. 480.
40.Proces-verbaal van bevindingen, p. 464 en 465.
41.Proces-verbaal van verhoord getuige 01, p. 485; Proces-verbaal van bevindingen, p. 533 en 534; Proces-verbaal van relaas, p. 32 van dat relaas.
42.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 503.
43.Proces-verbaal van verhoor getuige 01, p. 481.
44.In het proces-verbaal op pagina 623 van het dossier staat de datum 26 september 2018 vermeld, maar afgezet tegen het proces-verbaal bevindingen op pagina 389 moet dat niet het jaar 2018 maar het jaar 2017 zijn (ook nu het proces-verbaal op pagina 623 van 13 juni 2018 dateert).
45.Proces-verbaal van bevindingen, p. 623 en 624; Proces-verbaal van bevindingen, p. 389.
46.Proces-verbaal van bevindingen, p. 389 en 390.
47.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1300-2018035532, van de politie eenheid Amsterdam, district Amsterdam-Centrum/-Noord (doorgenummerd blz. 1 t/m 51).
48.Proces-verbaal van bevindingen, p. 8.
49.Proces-verbaal van bevindingen, p. 5.
50.Proces-verbaal van bevindingen, p. 5.
51.Proces-verbaal van aanhouding, p. 24 en 25.
52.Proces-verbaal wapenonderzoek, p. 11 tot en met 15.
53.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1700-2018239358, van de politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond Zuid-West, basisteam Oude Maas (ongenummerd).
54.Proces-verbaal van bevindingen, PL1700-2018239358-6, blad 1.
55.Proces-verbaal van verhoor verdachte [gedetineerde] , PL1700-2018239358-8.
56.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal van onderzoek Electra (Electra / DH4R017052), van de District Recherche Zoetermeer (doorgenummerd blz. 1 t/m 730).