ECLI:NL:RBDHA:2019:6387

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 mei 2019
Publicatiedatum
27 juni 2019
Zaaknummer
NL19.8118
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbVerordening (EU) nr. 604/2013Richtlijn 2011/95/EURichtlijn 2013/32/EURichtlijn 2013/33/EU
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening Duitsland

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 17 januari 2019 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 23 februari 2018 in Duitsland een asielverzoek had ingediend.

Eiser verzette zich tegen de overdracht aan Duitsland wegens vrees voor zijn veiligheid en het ontbreken van adequate bescherming aldaar. De rechtbank stelde vast dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Eiser slaagde er niet in concrete feiten aan te dragen die het tegendeel bewijzen.

De Duitse autoriteiten hadden bevestigd het verzoek van eiser te zullen behandelen conform Europese asielrichtlijnen. De rechtbank oordeelde dat de argumenten van eiser onvoldoende waren om de behandeling in Nederland aan zich te trekken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.8118
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer NL19.8119.
De rechtbank sluit het onderzoek met toestemming van partijen zonder zitting [1] .

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
Op 17 januari 2019 heeft hij een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat de Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 23 februari 2018 in de Bondsrepubliek Duitsland een asielverzoek heeft ingediend. Verweerder heeft Duitsland verzocht om eiser terug te nemen. De autoriteiten van Duitsland hebben op 31 januari 2019 laten weten op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening [2] verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming en het verzoek te accepteren.
3. Eiser verzet zich tegen overdracht aan de Bondsrepubliek Duitsland, omdat hij daar vreest voor zijn veiligheid. Hij stelt dat hij geen bescherming kan krijgen van de Duitse autoriteiten. Eiser voert daarbij aan dat hij zich tevergeefs tot de autoriteiten heeft gewend na problemen op het asielzoekerscentrum aldaar.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat de Bondsrepubliek Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Met het claimakkoord van 31 januari 2019 hebben de Duitse autoriteiten gegarandeerd om het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. [3]
5. Als uitgangspunt geldt dat ten aanzien van de Bondsrepubliek Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het is aan eiser om concrete feiten en omstandigheden aan te dragen die aanknopingspunten bieden voor het tegendeel. Eiser is daar met zijn niet onderbouwde stelling niet in geslaagd. Verweerder heeft er in het bestreden besluit al terecht op gewezen dat eiser zich met eventuele problemen in Duitsland tot de Duitse (hogere) autoriteiten dan wel de geëigende instanties kan wenden en dat niet gebleken is dat zij eiser niet zouden kunnen of willen helpen. Eiser heeft dit in beroep niet weten te weerleggen.
6. Ook de verwachting van eiser dat een nieuwe aanvraag in Duitsland weinig succesvol zal zijn, doet er niet aan af dat ervan uit mag worden gegaan dat Duitsland het asielverzoek op een zorgvuldige manier zal beoordelen. Verweerder heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd dan ook geen reden hoeven zien om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.Verordening (EU) nr. 604/2013
3.Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn).