ECLI:NL:RBDHA:2019:6381
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning broer van Nederlandse unieburger wegens ontbreken afhankelijkheid
Eiser, een Marokkaanse broer van een Belgische unieburger die in Nederland verblijft, verzocht om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde afhankelijk te zijn van zijn broer voor levensonderhoud en noodzakelijke medische verzorging.
De minister van Justitie en Veiligheid wees het verzoek af omdat niet was aangetoond dat eiser gedurende ten minste een jaar ononderbroken financiële steun ontving van zijn broer, noch dat hij inwoonde bij de referent of strikt noodzakelijke verzorging ontving. Eiser voerde aan dat hij al vóór de verhuizing van zijn broer vanuit België afhankelijk was, maar kon dit niet met de vereiste verklaringen van bevoegde instanties onderbouwen.
De rechtbank concludeerde dat de door eiser overgelegde stukken onvoldoende waren om te spreken van materiële steun zoals vereist in de Vreemdelingencirculaire. Ook de medische situatie van eiser rechtvaardigde geen uitzondering. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wees tevens het beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel af omdat de voorwaarden voor verblijf onder de lidstaten vallen.
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van afhankelijkheid.