ECLI:NL:RBDHA:2019:6380
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrea pleegkind
Eiser, een Eritrese nationaliteit bezittende persoon, heeft een opvolgende aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De aanvraag werd afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en omdat eiser niet als pleegkind van de referent wordt aangemerkt.
Eiser maakte bezwaar tegen het primaire besluit, maar dit bezwaar werd bij het bestreden besluit eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een pleegsituatie tussen eiser en referent niet ter discussie staat en dat verweerder terecht artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft toegepast.
Eiser voerde aan dat het motiveringsbeginsel en de hoorplicht zijn geschonden, maar deze stellingen werden verworpen. Ook het beroep op artikel 4:84 Awb Pro vanwege bijzondere omstandigheden faalde, omdat het nareisbeleid niet op eiser van toepassing is.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf nareis wordt ongegrond verklaard.